Common Message Element Types

Uit informatiestandaarden
Versie door DominiqueStoverink (Overleg | bijdragen) op 31 jul 2014 om 10:05 (Nieuwe pagina aangemaakt met '{{#customtitle:Common Message Element Types|Common Message Element Types}} <noinclude>{{DocumentPart|ns=7prica|title=V6.10_HL7v3-domeinspecificatie_Primary_Care}}</...')

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

Dit materiaal is onderdeel van HL7v3-domein Primary Care V6.10_HL7v3-domeinspecificatie_Primary_Care.
  • Compatible wijzigingen/nadere bewoordingen, tikfouten kunnen direct in de Wiki gewijzigd worden
  • Open issues die discussie vergen s.v.p. in de commentaarsectie opnemen.

Common Message Element Types

Dit hoofdstuk bevat de beschrijving van de domein specifieke CMET‟s. Voor de basisinformatie over de functie en de varianten van CMET‟s wordt hier verwezen naar de [HL7v3 IH Basis]. Ook de CMET‟s R_AssignedPersonNL, R_AssignedPerson[identified], R_PatientNL, R_AssignedEntityNL_PO zijn daar beschreven.


CMET R_AssignedEntityNL_PO

De CMET R_AssignedEntityNL_PO wordt gebruikt om zorgverleners, medewerkers en derden (personen of organisaties) mee te geven. Om redundantie te vermijden, wordt de auteur, als de verantwoordelijke (vaste) arts, hier verplicht meegegeven in de contextControlCode, zodat die als standaardwaarde overal elders niet ingevuld hoeft te worden. In het geval van een professionele samenvatting die door een HAP wordt opgeleverd wordt de HAP (organisatie) als auteur van de PrimaryCareProvision act meegegeven, de behandelend arts wordt als auteur van de encounter meegegeven. We gebruiken de volgende attributen: id (AGB of UZI-nummer), addr (adres), telecom (voor telefoonnummer, faxnummer of e-mailadres) en name (van Person of name van Organization (voor de naam van de entiteit)). Indien de naam van een Persoon wordt meegegeven dan kan de organisatie namens welke een rol wordt vervuld meegegeven worden in de CMET E_Organization [universal]. Voor het overige wordt verwezen naar [HL7v3 IH Basis].


CMET R_patientNL

Attribuut Beschrijving
id Verplicht, interne identificaties van patiënt binnen zendend systeem.
addr Indien thuisadres van patiënt aanwezig is in zendend systeem is dit verplicht (code HP). Er mogen verschillende adressen worden meegegeven, een bezoekadres gaat mee met code PHYS.
telecom Telefoonnummers, fax en e-mail kunnen worden meegegeven. INdien er een of meerdere telefoonnummers aanwezig zijn in zendend systeem, is dit minimaal één keer verplicht. FOrmaat is + nn ccc cc cccc met nn is landelijke toegangscode en cc ccc cccc het 10-cijferige telefoonnummer zonder 0 (resteert dus 9 cijfers).
statusCode 'active' indien patiënt ingeschreven is, 'terminated' indien patiënt is uitgeschreven. De statusCode 'terminated' zal bij een PS en WB niet voorkomen.
effectiveTime 'In- en uitschrijfdatum van patiënt kunnen hierin meegegeven worden. Indien bekend moet de tijd ook worden meegegeven.
Relatie
Organisation (identified)
Person

De CMET Organisation (identified) behorend bij de Patient, gebruiken we optioneel, alleen om het Id attribuut (bijvoorbeeld de AGB-code) van de praktijk mee te geven.


CMET E Person

Van CMET E_Person gebruiken we de volgende attributen:

Attribuut Beschrijving
name Patiëntnaam volgens het datatypen PN. zie [HL7v3 IH Basis] voor een gedetailleerde beschrijving.
administrativeGender Geslacht van patiënt
birthTime Geboortedatum van patiënt
deceasedInd Alleen gebruiken ('true') indien patiënt overleden is, waarbij overlijdensdatum onbekend is
deceasedTime Overlijdensdatum
educationLevelCode Opleiding van patiënt is optioneel (moet ontvanger dus wel toestaan)

De CMET E_Person heeft een aantal relaties: ContactParty, Birthplace, Employment, PatientOfOtherProvider en CoveredParty


Relatie Beschrijving
ContactParty een naam (in Person) en telefoonnummer (in telecom van ContactParty) van een betaler kan hier worden meegegeven.

Code staat op „PAYOR‟

BirthPlace geboorteplaats wordt meegegeven indien aanwezig in zendend

systeem

Employment in occupationCode mag een beroep uit WCIA tabel 11 worden

meegegeven (optioneel, dus ontvanger moet het toestaan)

PatientOfOtherProvider Indien de auteur niet de vaste huisarts is, kan hier de vaste huisarts worden meegegeven (is optioneel). Indien de vaste huisarts wordt meegegeven, dan is een id in HealthCareProvider (AGB of UZI) verplicht en een naam (in ProviderPerson) optioneel.
CoveredParty Verzekeringsgegevens van de patiënt. Een verzekeringsnummer gaat mee in de „Id‟ van PolicyOrAccount, het type verzekering in de „code‟ van PolicyOrAccount en de identificatie van de verzekeraar wordt als AGB-code of als UZOVI nummer meegegeven in 'id' van CarrierRole, terwijl de naam van de verzekeraar meegaat in 'name' van CarrierOrganization.


CMET A JournalEntry

R-MIM: COCT_RM120000NL
HL7v3artefacttype: CMET
HL7v3 gestructureerde naam: A_JournalEntry [universal]
Herkomst: AORTA

Voor het statisch model van COCT_MT120000NL_JE wordt verwezen naar R-MIM Journaalregel.

De CMET A_JournalEntry wordt gebruikt om een vrije tekstregel mee te geven, die niet gecodeerd maar wel gestructureerd is volgens de SOEP-structuur. Indien bij een zendend systeem bekend is dat een vrije tekst regel een Plan bevat, dient de ontvanger dat mee te krijgen. Wanneer bij een zendend systeem bekend is dat een dossierregel hoort onder een van de andere CMET‟s in de choicebox, maar er geen gestandaardiseerde code aanwezig is (maar bijvoorbeeld een lokale code) dan wordt hiervoor deze JournalEntry niet gebruikt, maar in de betreffende andere CMET wordt in het code of value attribuut een lokale code meegegeven indien dit is toegestaan (CD CWE type). Indien lokale codes in het betreffende CMET niet zijn toegestaan en indien het niet mogelijk is om een vertaling naar een standaardcode te maken (eenmalig per gebruiker), dan dient de regel als JournalEntry mee te gaan, waarbij de SOEP code als volgt toegevoegd mag worden: Een diagnose wordt een E, een medicatievoorschrift en –aflevering wordt een P, een bepalingsaanvraag en –resultaat wordt een O, een verwijzing en een niet-medicamenteuze therapie wordt een P.


CMET A Diagnosis [universal] (COCT_MT120100NL) Diagnose

R-MIM: COCT_RM120100NL
HL7v3artefacttype: CMET
HL7v3 gestructureerde naam: A_Diagnosis [universal]
Herkomst: AORTA

Voor het statisch model van COCT_MT120100NL wordt verwezen naar R-MIM Diagnose.

De CMET A_Diagnosis wordt gebruikt om een diagnose mee te geven. De auteur van een diagnosecode zal meestal een arts zijn. Vooruitlopend op de situatie dat ook de patiënt de auteur van een diagnosecode kan zijn, wordt deze mogelijkheid ondersteund.


CMET A MedicationCombinedOrder [universal] (COCT_MT932000NL) Medicatievoorschrift

In deze CMET worden de gegevens van voorschriften opgenomen. Zie HL7v3-domeinspecificatie Pharmacy. In deze CMET moet voor de PS wel een voorschrijfdatum/tijd in author worden opgegeven. Er hoeft echter geen voorschrijvend arts zelf te worden opgegeven (omdat die default gelijk is aan de huisarts). De link naar R_AssignedPerson is nillable gemaakt om hierin te voorzien; R_AssignedPerson hoeft dus niet gevuld te worden. Ook subject hoeft niet te worden opgegeven omdat die gelijk is aan de patiënt. Bij voorschrijven op artikelnummer (KNMP-nummer in MedicationKind.code) moet de PRK en/of GPK verplicht in de translation worden opgenomen. Attribuut doseCheckQuantity wordt niet gebruikt.


CMET A_ContraIndication[universal] (COCT_MT120100NL_CI) ContraIndicatie

R-MIM: COCT_RM120100NL_CI
HL7v3 Nederlandse naam Contra-indicatie
HL7v3artefacttype: CMET
HL7v3 gestructureerde naam: A_ContraIndication [universal]
Herkomst: AORTA

Voor het statisch model van COCT_MT120100NL_CI wordt verwezen naar R-MIM ContraIndicatie.

Contra-indicaties en ongewenste middelen worden zoveel mogelijk gemapt naar codelijsten uit de G-standaard, zodat medicatiebewaking door de waarnemer mogelijk is.

De CMET A_ContraIndication wordt gebruikt om contra-indicaties mee te geven die gebruikt worden voor de medicatiebewaking. Hoewel contra-indicaties kunnen worden vastgelegd in de vorm van een diagnosecode, behoren niet alle diagnosecodes tot de contra-indicaties. Gebruikelijk is om die zaken die een zorgverlener als contra-indicatie geregistreerd heeft via een code uit Thesaurus 040 van de [G-Standaard] op te nemen op het niveau van een PCP. Een dergelijke contra-indicatie kan vaak gemapt worden op een ICPC-code en andersom. Zowel in versie 3 als in versie 4 van de [NHG HIS-tabellen] hanteert het NHG een vertaaltabel (tabel 27A) waarin 22 ICPC-codes naar codes uit Thesaurus 040 worden omgezet. Zo kan een K74 uit de ICPC-lijst (Angina Pectoris) aanleiding zijn om, al dan niet via een bevestiging van een arts, de contra-indicatiecode 70 uit de TH040 toe te voegen aan het dossier. Om te zorgen dat de medicatiebewaking geen hinder ondervindt van deze wijzigingen, wordt de CMET ContraIndication gebruikt om het volgende mee te geven:

  • Een contra-indicatie (thesaurus 040);
  • Een contra-indicatie in de vorm van een diagnosecode (ICPC).

Beide zijn door de arts, verantwoordelijk voor de PrimaryCareProvision, als contra- indicatie benoemd in het dossier van de patiënt. Een zogenaamde „afgeleide contra- indicatie‟ is een contra-indicatiecode die op basis van prescripties (automatisch) gegenereerd is.


CMET A ObservationIntolerance

R-MIM: COCT_RM120104NL
HL7v3 Nederlandse naam: Intolerantie
HL7v3artefacttype: CMET
HL7v3 gestructureerde naam: A_ObservationIntolerance [universal]
Herkomst: AORTA

Voor het statisch model van COCT_MT120104NL wordt verwezen naar R-MIM Intolerantie.

Uit de functionele beschrijving van de [G-Standaard] komt het volgende citaat: “De 'ongewenste groepen, ongewenste stoffen en ongewenste handelsproducten' (is 'ongewenste middelen') vormen samen met de 'contra-indicaties' de patiëntkenmerken. Bij ongewenste middelen gaat het niet uitsluitend om een allergie, er kunnen andere redenen zijn om een stof of groep van stoffen niet af te leveren aan een bepaalde patiënt, bijvoorbeeld een bijwerking. Ook kan de toedieningsweg van een stof hierbij een rol spelen. Het kan ook voorkomen dat het product van een bepaalde fabrikant niet gewenst is, bijvoorbeeld door een hulpstof. Met behulp van de door het softwarehuis geleverde optie 'ongewenste middelen' kan de gebruiker de betreffende ongewenste stof, de groep van stoffen, of het betreffende product zelf selecteren en koppelen aan de patient, met opgave van de reden van de koppeling. Als de patient een geneesmiddel krijgt voorgeschreven, moet het systeem controleren of dit middel al dan niet ongewenst is.”

De CMET A_ObservationIntolerance wordt gebruikt om het volgende mee te geven:

  • Individuele bestanddelen, oftewel stoffen op basis van stofnaamcode (SNK).
  • Individuele bestanddelen in combinatie met een toedieningsweg (SSK).
  • Ongewenste groepen, oftewel groepen medicijnen met een ongewenste stof.
  • Ongewenst handelsprodukt (bestand 030 (handelsprodukten)).


CMET A_CareStatement [care provision] (REPC_MT000100UV01) KLinische bewering

R-MIM: REPC_RM000100NL
HL7v3artefacttype: CMET
HL7v3 gestructureerde naam: A_CareStatement [care provision]

Voor het statisch model van REPC_MT000100UV01 wordt verwezen naar [HL7v3 DS Care Provision].

A_CareStatement wordt gebruikt voor diagnostische bepalingen (uitslagen). De CMET A_CareStatement is beschreven in [HL7v3 DS Care Provision]. Van de daar beschreven klassen wordt door Hwg alleen gebruik gemaakt van de klassen Observation, Organizer, Act en enkele participaties. In deze paragraaf wordt de klasse Observation ingevuld, samen met ReferenceRange en ObservationRange, zoals deze gebruikt wordt bij uitslagen.

  • Metingen moeten kunnen worden ontvangen vanaf AORTA v6.0.5.0
  • Verzenden is verplicht als er gekwalificeerd wordt voor v6.0.5.0, maar is in productie niet toegestaan tot alle AORTA v5.x systemen uitgefaseerd zijn vanwege versie incompatibiliteit. Ingangsdatum is 1 december 2010.