Werkwijze Infusen Kickstart

Uit informatiestandaarden
Versie door Biny Blijdorp (overleg | bijdragen) op 27 mei 2026 om 14:44 (Ambulante situatie)
Ga naar: navigatie, zoeken

ENG.jpg Click here for the English live version


1 Inleiding

Het programma Medicatieoverdracht werkt samen met de sectoren en leveranciers aan het realiseren van een volledige medicatieoverdracht binnen de zorgketen, met als doel om de mediatieveiligheid te verbeteren. De informatiestandaard voor Medicatieproces 9 (MP9) is nog niet volledig ontwikkeld. Voor de uitwisseling van informatie over infuustherapie is doorontwikkeling vereist. Op dit moment is nog niet duidelijk wanneer deze doorontwikkeling zal plaatsvinden.

Tot het moment van doorontwikkeling zijn er specifieke afspraken gemaakt over uitwisseling van infuusgegevens op basis van ketenafspraak VO37. Ketenafspraak VO37 verduidelijkt namelijk onvoldoende wat er wel en niet wordt uitgewisseld met betrekking tot infuusgegevens. In samenwerking met de toediensectoren, de Medisch specialistische zorg (MSZ) en verschillende softwareleveranciers is er een verdere uitwerking gerealiseerd. Hieronder wordt dit toegelicht voor diverse situaties.

Deze werkwijze is afgesproken voor de Kickstart en blijft geldig tijdens de opschaling, totdat verdere doorontwikkeling van de uitwisseling van infuustherapie is gerealiseerd.

2 Voorschrijven

Voor het voorschrijven van infuustherapie met één werkzame stof geldt de volgende afspraak: In de medicatieafspraak (MA) wordt de werkzame stof vermeld. Het oplosmiddel, de infuusvloeistof en/of een verwijzing naar een schema of protocol dat aangeeft hoe het infuus gereed gemaakt moet worden, wordt indien nodig opgenomen in het data-element ‘Toelichting’ of in daartoe bestemde velden in het XIS. In de uitwisseling kan dit gegeven alleen via het data-element ‘Toelichting’ worden uitgewisseld. In de ambulante setting zal een infuusvloeistof soms ook als losse MA worden voorgeschreven en uitgewisseld.

Als er meerdere werkzame stoffen in één infuus worden toegediend, wordt bij het voorschrijven zo mogelijk gebruik gemaakt van een infuusbereiding die in de G-standaard is opgenomen. Dat specifieke product wordt dan geselecteerd in de MA. Is zo’n product niet beschikbaar, dan worden de werkzame stoffen opgenomen in een magistrale bereiding of voorgeschreven in meerdere MA’s.

3 Ter hand stellen

3.1 Klinische situatie

In de klinische situatie wordt het oplosmiddel meestal niet als aparte TA geregistreerd. Het oplosmiddel, de infuusvloeistof en/of een verwijzing naar een schema of protocol dat aangeeft hoe het infuus gereed gemaakt moet worden, kan worden opgenomen in het data-element ‘Toelichting’ of in daarvoor bestemde velden in het XIS. In de uitwisseling kan dit gegeven alleen via het data-element ‘Toelichting’ worden uitgewisseld. Zie praktijkvoorbeeld 4.

3.2 Ambulante situatie

In de thuissituatie is de wijze van vastleggen afhankelijk van wie het geneesmiddel voor toediening gereed maakt: de verstrekker of de toediener.

3.2.1 Gereedmaken infuus door verstrekker

Wanneer in de ambulante situatie het infuus voor toediening gereed wordt gemaakt in de apotheek, stelt de verstrekker een TA op met een magistrale bereiding. Daarin worden zowel het geneesmiddel, als het gebruikte oplosmiddel en eventueel het verpakkingsmateriaal als ingrediënt vastgelegd. Deze TA verschijnt als één regel op de toedienlijst. Zie praktijkvoorbeeld 1a. Praktijkvoorbeeld 1b toont de situatie waarin de verstrekker een kant-en-klaar product aflevert.

3.2.2 Gereedmaken infuus door toediener

Wanneer in de ambulante situatie het infuus door de toediener wordt gereedgemaakt, verstrekt de verstrekker niet alleen de werkzame stof, maar ook de bijbehorende hulpmiddelen, zoals een oplosmiddel en/of een middel om de lijn te spoelen. Voor het geneesmiddel en het oplosmiddel worden twee aparte, parallelle TA's en medicatieverstrekkingen (MVE's) aangemaakt onder één medicamenteuze behandeling (MBH). Dit resulteert in twee aparte regels op de toedienlijst. Een eventuele TA voor het spoelmiddel wordt in een aparte MBH geplaatst. Bij de hulpmiddelen moet duidelijk vermeld staan waarvoor ze gebruikt dienen te worden. Zie hiervoor praktijkvoorbeelden 2 en 3.

4 Toedienen

Specifieke afspraken zijn gemaakt voor medicatietoedieningen (MTD's) die enkel van toepassing zijn tijdens de Kickstart. Niet alle MTDs en andere infuusgegevens zullen worden uitgewisseld en zijn dan ook niet beschikbaar in de keten voor bijvoorbeeld een overzicht ten behoeve van toedieningen. Hieronder volgt een toelichting:

  • Eén werkzame stof: MTD's van infusen met één werkzame stof, die al dan niet voor toediening gereed worden gemaakt, worden geregistreerd in het informatiesysteem en uitgewisseld. Bijbehorende MA's en TA's worden ook uitgewisseld.
  • Twee werkzame stoffen: MTD's van infusen met twee werkzame stoffen kunnen geregistreerd worden, maar worden niet uitgewisseld. Tenzij het als magistraal wordt geregistreerd in één MA en TA. Dan kunnen de MTD's wél worden uitgewisseld. Bijbehorende MA’s en TA’s worden ook hier uitgewisseld.
  • Toedieningssnelheid: De toedieningssnelheden die in de MA en de TA zijn beschreven, worden eveneens in de MTD opgenomen en kunnen worden uitgewisseld. Dit geldt voor zowel continue infusen als giften. Zie hiervoor praktijkvoorbeeld 5.
    Wanneer toedieningssnelheden echter niet zijn vastgelegd in de MA of de TA en een toediener brengt zelf een wijziging aan, wordt dit niet in de MDT uitgewisseld, bijvoorbeeld bij een perfuserpomp.
  • Volume: Bij het aanhangen van een nieuwe spuitpomp of infuuszak bij de patiënt wordt het totale volume in de MDT geregistreerd en uitgewisseld. Als alleen een gedeelte van het totale volume is toegediend, kan dit worden bijgewerkt door de MTD te corrigeren. Dit gebeurt door middel van een aanvullende MTD, waarin het restvolume van de infuuszak wordt geregistreerd. Dit wordt als een negatief getal vastgelegd, bijvoorbeeld –200 ml. Hiermee kan de totale toediening berekend worden. Het originele volume van bijvoorbeeld 1 liter, min het restvolume van 200 ml, resulteert in een totale toediening van 1000 - 200 = 800 ml. Zie hiervoor praktijkvoorbeeld 4.
  • Opname/ontslag: In situaties van opname of ontslag kan het nodig zijn om een schriftelijke overdracht te doen van MTD’s of andere infuusgegevens die niet uitgewisseld kunnen worden. Hierbij kunnen relevante MTD’s van de afgelopen 24 uur worden meegegeven. Daarnaast kan ook het volume van een infuus dat meegaat, worden overgedragen.

5 Praktijkvoorbeelden infusen

5.1 Praktijkvoorbeeld 1: Gereedmaken infuus door apotheker

De voorschrijver maakt een voorschrift voor ceftriaxon 2000 mg, 1 maal daags gedurende 6 weken. De voorschrijver geeft in de toelichting van de MA aan dat de ceftriaxon in een elastomeerpomp geleverd moet worden.

De apotheek bereidt de ceftriaxon 2000 mg in de elastomeerpomp en maakt hiervoor een TA voor een magistraal, met daarin de werkzame stof en het oplosmiddel.

Als de elastomeerpomp als hulpmiddel vanuit de G-standaard in een TA geregistreerd wordt, dan zal het beschikbaar gesteld worden. Het is aan het ontvangende systeem om deze TA uit te filteren en niet op het medicatieoverzicht te tonen.

Een zorgmedewerker registreert de toediening van de ceftriaxon op het moment dat het pompje aangesloten wordt.

Usecase 3 infusen gereed maken door apotheek.png

5.2 Praktijkvoorbeeld 2: Toediening met een ander spoelmiddel dan het oplosmiddel

Er is ceftriaxon 2000 mg intraveneus voorgeschreven voor minimaal 7 dagen. De patiënt krijgt dit thuis toegediend door de thuiszorg via een PICC-lijn. Dit is een centraal veneuze katheter die voor langere tijd kan blijven zitten. Deze lijn moet dagelijks worden doorgespoeld na het toedienen van de antibiotica.

De voorschrijver maakt een MA en VV voor de werkzame stof, ceftriaxon. De apotheker maakt twee TA’s aan voor het toedienen van het geneesmiddel: één voor het antibioticum en één voor het oplosmiddel, water voor injectie. Daarnaast wordt er een derde TA aangemaakt voor infuuszakjes NaCl 0,9% voor het spoelen van de lijn. Deze derde TA valt onder een andere MBH. Alle drie de verstrekkingen worden in een eigen MVE geregistreerd.

De toedieningen van het antibioticum en het oplosmiddel kunnen makkelijk gegroepeerd worden op de toedienlijst, aangezien ze onder dezelfde MBH vallen. Het spoelmiddel zal wellicht niet gegroepeerd zijn, doordat het een andere MBH betreft. Dit zal resulteren in drie afzonderlijke MTD’s.

Usecase 1 infusen Infuustoediening met een ander oplosmiddel als het spoelmiddel.png

5.3 Praktijkvoorbeeld 3: Toediening met hetzelfde spoelmiddel als het oplosmiddel

In verband met longontsteking krijgt een patiënt een antibioticakuur intraveneus voorgeschreven. De toediening zal aan het bed gereed gemaakt worden. De voorschrijver maakt een MA voor amoxicilline 1000 mg.

De apotheek maakt onder die MBH een TA voor zowel de amoxicilline poeder voor injectie, als voor de NaCl 0,9% ampullen voor het oplossen van de amoxicilline. In de toelichting wordt vermeld dat deze bestemd zijn voor het gereedmaken van de amoxicilline voor toediening.

Ook zijn er NaCl 0,9% ampullen nodig voor het spoelen van de lijn. Hiervoor moet een aparte TA worden gemaakt. Aangezien er maar één verstrekking van een middel per dag gedaan mag worden, moet de verstrekking van de NaCl 0,9% ampullen toereikend zijn voor zowel het gereedmaken van het middel voor toediening, als voor het spoelen van de lijn.

De toedieningen van het antibioticum en het oplosmiddel vallen onder één MBH, waardoor ze gegroepeerd kunnen worden op de toedienlijst. Het spoelmiddel zal wellicht niet gegroepeerd zijn, doordat het een andere MBH betreft. Dit zal resulteren in drie afzonderlijke MTD’s.

Usecase 2 infusen Infuustoediening hetzelfde oplosmiddel als het spoelmiddel.png

5.4 Praktijkvoorbeeld 4: Onvolledige infuustoediening registreren door middel van een correctie

Een voorschrijver maakt een MA voor morfine 1 mg/ml, 100 ml-toediening per infuus. De toedieningssnelheid wordt door de voorschrijver gesteld op 10 mg/uur. De apotheker maakt een TA voor Sendolor 1 mg/ml met toedieningssnelheid 10 mg/uur. Tijdens het toedienen krijgt de patiënt na 1 uur last van het infuus en wordt de medicatie gestopt. Na 1 uur inlooptijd zit er nog 90 mg in het infuuszak. Dit wordt geregistreerd als –90 mg. Hiermee kan worden berekend dat er 100 - 90 = 10 mg is toegediend. Zie paragraaf 4.3.15 van het FO voor vergelijkbare correcties.

Usecase 4 infusen correctie infuus-MTD.png

5.5 Praktijkvoorbeeld 5: Correctie vastleggen in MTD na wijziging in toedieningssnelheid

Een voorschrijver maakt een MA voor morfine 1 mg/ml, 100 ml-toediening per infuus. De toedieningssnelheid wordt door de voorschrijver gesteld op 0,5 mg/uur. De apotheker maakt een TA voor Sendolor 1 mg/ml met toedieningssnelheid 0,5 mg/uur.

De zorgmedewerker die de Sendolor aansluit bij de patiënt, registreert de MTD.

Na drie dagen wordt de toedieningssnelheid door de voorschrijver opgehoogd naar 1 mg/uur. De zorgmedewerker corrigeert de MTD door in een nieuwe MTD de resterende hoeveelheid als negatief getal te registreren, in dit geval –62 mg. Hiermee kan berekend worden dat er per saldo 100 - 62 = 38 mg medicatie is toegediend met een toedieningssnelheid van 0,5 mg/uur.

Vervolgens wordt in een aanvullende MTD de nieuwe toedieningssnelheid van 1 mg/uur vermeld met een resterende hoeveelheid van 62 mg.


Usecase 5 Toedienen Infusen veranderde toedieningssnelheid.png