CONCEPT Implementatiehandleiding migratie en hybride: Aanvullende Beproeving Uitwisseling laboratoriumgegevens

Uit informatiestandaarden
Ga naar: navigatie, zoeken



Deze pagina vormt het startpunt van de implementatiedocumentatie voor leveranciers over migratie en de hybride situatie tijdens de aanvullende beproeving Uitwisseling laboratoriumgegevens ten behoeve van medicatieveiligheid.

Voor een overzicht van relevante Wiki-pagina's voor uitwisseling laboratoriumgegevens zie Landingspagina informatiestandaard Uitwisseling laboratoriumgegevens.

1 Leeswijzer

Om de implementatiehandleiding effectief te gebruiken, is het belangrijk om te begrijpen hoe de informatie is gestructureerd. De volgende leeswijzer biedt een overzicht van de hoofdstukken en bijlagen.

Hoofdstukken

  • Hoofdstuk 2 bevat een inleiding op de migratie van systemen en de hybride situatie tijdens implementatie van de domeinen Lab2zorg en Lab2patiënt van de informatiestandaard Uitwisseling Laboratoriumgegevens. Ook de scope voor de Aanvullende beproeving Lab van Medicatieoverdracht wordt hier beschreven. Daarnaast worden enkele veelgebruikte begrippen gedefinieerd.
  • Hoofdstuk 3 behandelt de verschillen tussen de transitiefase en de uiteindelijke situatie waarin de deelnemende systemen over zijn naar beschikbaarstellen/raadplegen van Lab2zorg.
  • Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5 beschrijven de afspraken voor het migreren,coderen en het beschikbaar stellen van de laboratoriumresultaten en het raadplegen en ontvangen van laboratoriumresultaten in de hybride situatie.
  • Hoofdstuk 6 licht enkele overige aandachtspunten gedurende de transitiefase toe.

Bijlagen

Wijzigingen en beheerproces

2 Inleiding

Het implementatieprogramma Medicatieoverdracht zal de komende jaren de richtlijn ‘Overdracht van medicatiegegevens in de keten’, de informatiestandaard Medicatieproces (MP9), de informatiestandaard Uitwisseling Laboratoriumgegevens (domeinen Lab2zorg en Lab2patient) zorgbreed implementeren. In dit document gebruiken wij 'de informatiestandaard' als verwijzing naar de informatiestandaard Uitwisseling Laboratoriumgegevens. Mocht er verwezen worden naar een andere standaard, dan wordt dit expliciet aangegeven.

De implementatie begint met een beperkte implementatie tijdens de Kickstart Medicatieoverdracht, gevolgd door de Beproeving Labwaarden. Hierna volgt een brede uitrol. Om een goed begrip te krijgen van de context en uitdagingen van de implementatie van de informatiestandaard, starten we met een beschrijving van de migratie en hybride situatie. In het hele document wordt met de informatiestandaard de meest recent gepubliceerde versie bedoeld.

2.1 Scope beproeving

Op het moment van schrijven richt de beproeving zich op:

2.2 Migratie en hybride situatie

Gezien niet alle systemen tegelijkertijd de informatiestandaard domein Lab2zorg en Lab2patient implementeren, is er sprake van een transitiefase{LINK]. Deze fase begint met de migratie van het eerste systeem en eindigt wanneer alle deelnemende systemen van de beproeving zijn overgestapt naar de usecases uit de scope van de beproeving Labwaarden. Gedurende en mogelijk ook ná de transitiefase hebben systemen te maken met een hybride situatie[LINK]: ze moeten zowel een domein van de informatiestandaard (Lab2zorg of Lab2patient) als eerdere berichtenstromen (zoals EDIFACT) ondersteunen.

2.2.1 Lab2zorg

Vanwege de verschillen tussen berichtenstromen zijn specifieke afspraken nodig. In de werkstroom migratie & hybride heeft het programma Medicatieoverdracht samen met leveranciers en zorgverleners technische en zorgprocesafspraken gemaakt. Deze afspraken, aanvullend op de informatiestandaard domein Lab2zorg, betreffen onder andere de transitie, de hybride situatie, co-existentie, coderen en het migratieproces.


Transitiefase


Figuur 1. De transitiefase en de bijbehorende sub-processen bij de implementatie van de informatiestandaard Uitwisseling laboratoriumgegevens ten behoeve van de Aanvullende beproeving


  • De transitie: Het proces van migreren en co-existentie dat uiteindelijk leidt tot de gegevensuitwisseling via Lab2zorg.
  • De hybride situatie: De situatie waarbij een systeem (tijdelijk) zowel Lab2zorg als eerdere berichtenstromen (EDIFACT) ondersteunt om uitwisseling van laboratoriumgegevens gedurende de transitiefase te kunnen waarborgen. Deze situatie kan continueren na de transitiefase omdat niet alle domeinen van de informatiestandaard in de Beproeving Labwaarden wordt geïmplementeerd.


Hybride situatie


Figuur 2. Definitie van de hybride situatie bij implementatie van de informatiestandaard Uitwisseling laboratoriumgegevens ten behoeve van de Aanvullende beproeving


  • Het migreren: de eenmalige technische inrichting van een systeem, zodat dit conform de informatiestandaard domein Lab2zorg kan uitwisselen. Dit omvat onder meer het aansluiten op het Landelijk SchakelPunt (LSP), het implementeren van de transactie voor beschikbaar stellen, het inrichten van de identificatielogica (OID), het onderscheiden van eigen en andermans laboratoriumgegevens, het ondersteunen van de hybride communicatiestromen en het correct verwerken van statussen en correcties. Deze inrichting vindt eenmalig per systeem plaats, los van welke bepalingen op enig moment worden uitgewisseld.


Migratie


Figuur 3. Definitie van migratie bij implementatie van de informatiestandaard Uitwisseling laboratoriumgegevens ten behoeve van de Aanvullende beproeving


  • De co-existentie: De situatie waarin binnen de keten de noodzaak bestaat tot het uitwisselen van gegevens in meerdere standaarden.
  • Het beschikbaarstellen: Het proces waarbij een systeem eigen medisch inhoudelijke gegevens (in deze standaard laboratoriumgegevens) ter beschikking stelt voor raadpleging door andere systemen.
  • Het raadplegen: het proces van opvragen van actuele beschikbare laboratoriumresultaten, uit het laboratorium als bron voor Lab2zorg en Lab2patient.
  • Het consolideren: het proces waarbij het informatiesysteem beschikbare laboratoriumgegevens samenvoegt met ontvangen gegevens uit verschillende bronnen. Het doel is om een enkel, uniform en coherent laboratoriumresultaten te tonen en de dubbele resultaten te minimaliseren in het ontvangende systeem. De definitie voor de term consolideren is onder voorbehoud van een landelijke defintie.
  • Het coderen: het toekennen van een LOINC-code aan een laboratoriumbepaling in het bronsysteem, zodat resultaten van die bepaling structureel uitwisselbaar zijn. Coderen vindt plaats voor iedere bepaling op de uit te wisselen lijst en herhaalt zich telkens wanneer deze lijst wordt uitgebreid. Coderen is dus géén eenmalige activiteit: het start bij migratie en loopt daarna door.

Met de complexiteit van de migratie- en hybride situatie in gedachten, is het cruciaal om duidelijke kaders te stellen voor leveranciers tijdens dit proces. Het wordt aangemoedigd om in het proces met de eindgebruiker af te stemmen.

2.2.2 Lab2patient

Bovenstaande begrippen en afspraken gelden ook voor Lab2patient. Het domein Lab2patient ondersteunt ook het beschikbaar stellen door het laboratorium en het raadplegen door de PGO. Aanvullend wordt er gesteld dat de PGO toont wat beschikbaar is gesteld door het laboratorium.

Op het moment van schrijven (september 2026) wordt gebruik gemaakt van de gegevensdienst van MedMij, gebaseerd op de zib Laboratoriumuitslag 2017. De informatiestandaard ondersteunt ook de uitwisseling naar de patiënt, middels Lab2patient. Dit stuk van de informatiestandaard zal geïmplementeerd moeten worden om mee te gaan naar de nieuwe situatie waarin de PGO’s vanuit de bron de resultaten kunnen gaan raadplegen. Dit is de transitiefase voor de PGO’s.

De PGO zal naast de resultaten direct uit het laboratorium ook te maken krijgen met een hybride situatie. Meer gegevensdiensten stellen laboratoriumresultaten beschikbaar, bijvoorbeeld Huisartsengegevensdienst. Hierdoor komen mogelijk de laboratoriumresultaten dubbel op de PGO terecht.

2.3 Kaders

Deze implementatiehandleiding bevat afspraken voor de leveranciers met betrekking tot migratie en de hybride situatie tijdens de beproeving Labwaarden. Het primaire doel van de beproeving Labwaarden is zorgen dat de zorgverleners op het juiste moment beschikken over de juiste gegevens om zo de medicatieveiligheid te verhogen. Hiervoor is het noodzakelijk dat de laboratorium informatiesystemen gegevens kunnen ontsluiten aan het LSP en dat de informatiestandaard, domeinen Lab2zorg en Lab2patient getest worden in de praktijk. Bij aanvang van de beproeving worden procedures opgesteld voor de situatie dat er nieuwe inzichten ontstaan tijdens deze testperiode. Eventuele wijziging aan deze pagina worden volgens deze procedures doorgevoerd. De huidige versie van deze pagina omvat de afspraken voor het apotheekinformatiesysteem (AIS), de persoonlijke gezondheidsomgeving (PGO) en het laboratoriuminformatiesysteem (LIS). De usecases die hieraan ten grondslag liggen zijn:

  • Laboratorium stelt laboratoriumresultaten beschikbaar
  • Apotheker raadpleegt beschikbaar gestelde laboratoriumresultaten
  • Patiënt raadpleegt beschikbaar gestelde laboratoriumresultaten

Dit hoofdstuk heeft de basis gelegd voor het begrijpen van de migratie en hybride situatie tijdens de implementatie van de informatiestandaard. Met duidelijke kaders en een overzicht van de belangrijkste aspecten, zijn leveranciers goed voorbereid om aan de slag te gaan met de volgende stappen in het proces. De komende hoofdstukken bieden gedetailleerde richtlijnen en specifieke afspraken die essentieel zijn voor een succesvolle overgang naar de nieuwe informatiestandaard.

3 Achtergrond

Tijdens de transitiefase, waarin systemen geleidelijk overgaan, zijn er belangrijke verschillen ten opzichte van de uiteindelijke situatie waarin alle systemen de informatiestandaard gebruiken.

  • Enkel de door FMS, NHG en MSZ afgesproken lijst uit te wisselen laboratoriumresultaten ten behoeve van medicatieveiligheid worden tijdens de Beproeving Labwaarden beschikbaar gesteld/ zijn raadpleegbaar [1]
  • De Lab4Apo koppeling blijft actief, zolang deze niet uit kan omdat een apotheek of laboratorium nog niet over is.
  • Kickstart nierfunctie (bevat het laboratoriumresultaat in NHG-codering in verband met het aanvraagbericht in EDIFACT)

Zowel tijdens de transitiefase als erna dient de informatiesystemen meerdere berichtenstromen te ondersteunen. Dit hoofdstuk geeft een toelichting op deze verschillen en de noodzaak van aanvullende afspraken.

3.1 Laboratoriumresultaten ten behoeve van medicatiebewaking

In de Beproeving Labwaarden worden alleen laboratoriumresultaten beschikbaar gesteld die op de lijst uit te wisselen laboratoriumresultaten ten behoeve van medicatieveiligheid staan. Andere laboratoriumresultaten worden op de oorspronkelijke manier uitgewisseld.

3.2 De Lab4Apo-koppeling

In de transitiefase zijn er laboratoria die zijn aangesloten op de infrastructuur van Lab4Apo en zodoende resultaten kunnen sturen naar de apotheker. De ontvangende apothekers krijgen dus te maken met twee werkwijzen: het raadplegen van een specifieke set van laboratoriumresultaten t.b.v. medicatiebewaking/veiligheid, en het (geautomatiseerd) geïnformeerd worden over laboratoriumresultaten middels de Lab4Apo-koppeling.

3.3 Kickstart nierfunctie

Wettelijk is verplicht gesteld dat de nierfunctie met een medicatievoorschrift meegestuurd dient te worden. Het aanvraagbericht voor laboratoriumonderzoek is nog geen onderdeel van de informatiestandaard, waardoor huidige uitwisseling tussen voorschrijvers en laboratoria nog via EDIFACT in NHG-codering wordt gedaan. Ten behoeve van medicatieveiligheid wordt tijdens de Kickstart Medicatieoverdracht de nierfunctie met de Medicatieafspraak (MA) meegestuurd. Indien de LOINC-code bekend is wordt die meegestuurd. Maar naar alle waarschijnlijkheid zal dit resultaat met een NHG-codering naar het AIS gestuurd worden. Een AIS krijgt eenzelfde resultaat dus in twee verschillende coderingen binnen:

  1. Via de MA, gecodeerd met een NHG-code
  2. Via het raadplegen met een LOINC en een NHG-code

Zorgverleners hebben aangegeven dat zij dubbele resultaten accepteren, én dat zij ondersteund willen worden bij het minimaliseren van dubbele resultaten. Dit staat vastgelegd in de ketenafspraken Lab. In hoofdstuk 5 wordt beschreven hoe de systemen bij kunnen dragen in het minimaliseren van dubbelen resultaten bij de ontvanger.

3.4 Berichtenstromen

In de transitiefase worden verschillende berichtenstromen gebruikt voor de uitwisseling van laboratoriumgegevens. Een systeem zal tijdens de transitiefase ook de eerdere berichtenstromen (CDA, HL7v2 en/of EDIFACT) moeten blijven ondersteunen. Aangezien de berichtenstromen een afhankelijkheid hebben met andere domeinen van de informatiestandaard zullen de afspraken ook gelden na de transitiefase.


Uitwisseling meerdere berichtenstromen

Figuur4. Ontvangen van verschillende berichtenstromen in de transitiefase

3.4.1 EDIFACT berichtenstroom

In de transitiefase blijft EDIFACT bestaan als berichtenstroom voor de usecase aanvragen van laboratoriumonderzoek en het sturen van een laboratoriumresultaat naar de aanvrager. Een laboratorium zal het laboratoriumresultaat middels EDIFACT naar de aanvrager sturen, en tegelijkertijd aanmelden op het LSP om daar via Lab2zorg beschikbaar te stellen. Ook ná de transitiefase blijft dit proces gecontineerd omdat de usecase ‘sturen laboratoriumresultaat naar aanvrager’ geen onderdeel is van de scope van de Beproeving Labwaarden. Tevens verloopt de Lab4Apo-koppeling via EDIFACT richting de AIS’en. Apotheekinformatiesystemenen dienen zowel Lab2zorg als EDIFACT te kunnen ontvangen.

3.4.2 HL7 v2 berichtenstroom

De uitwisseling tussen laboratoria onderling, en laboratoria en XIS’en verloopt merendeel met HL7 v2 berichtenstroom. In de transitiefase maar ook ná zal deze uitwisseling blijven bestaan. Die uitwisseling is buiten scope van de beproeving.

3.4.3 Overige berichtenstromen

Naast HL7 v2 - en EDIFACT -berichtenstromen worden in de praktijk ook andere berichtenstromen gebruikt voor de uitwisseling van laboratoriumresultaten. Dit omvat onder andere de uitwisseling van gegevens op niet digitale manieren, het gebruik van maatwerkkoppeling, en de uitwisseling via een andere versie van Lab (de informatiestandaard BgZ-MSZ). Deze berichtenstromen zullen niet allemaal uitgefaseerd worden bij de implementatie van de informatiestandaard, domeinen Lab2zorg en Lab2patient. Waar mogelijk zijn er afspraken gemaakt voor de hybride situatie. Het is daarnaast de verantwoordelijkheid van de leveranciers om de berichtenstromen die niet uitgefaseerd worden bij de implementatie van de informatiestandaard te blijven ondersteunen.


In deze transitiefase, waarin systemen overstappen naar de informatiestandaard, domeinen Lab2zorg en Lab2patient, is het cruciaal om duidelijke afspraken en richtlijnen te hebben om de consistentie en nauwkeurigheid van laboratoriumresultaten te waarborgen. Door de complexiteit van het combineren van verschillende berichtenstromen is samenwerking en duidelijke communicatie tussen alle betrokken partijen essentieel. Dit zal niet alleen de kwaliteit van de gegevens verbeteren, maar ook de veiligheid van de patiëntenzorg verhogen. De beschreven afspraken en processen zijn daarom van groot belang voor een succesvolle implementatie.

4 Migreren, coderen en beschikbaarstellen

Dit hoofdstuk beschrijft afspraken voor drie samenhangende maar afzonderlijke activiteiten: het migreren (de eenmalige technische inrichting van het systeem), het coderen (het toekennen van LOINC-codes aan bepalingen, wat ook na livegang doorloopt) en het historisch beschikbaar stellen (het alsnog ontsluiten van resultaten van vóór de livegang-datum). Alle bepalingen op de lijst t.b.v. medicatiebewaking en -veiligheid worden bij migratie voorzien van een LOINC-code. Vanaf de livegang-datum worden nieuwe resultaten van deze bepalingen beschikbaar gesteld. Voor genotypische en fenotypische laboratoriumresultaten geldt daarnaast dat ook de al vóór livegang bepaalde resultaten historisch beschikbaar worden gesteld, omdat dit eenmalige-in-een-leven bepalingen betreft. Voor de huidige beproeving is deze historische ontsluiting beperkt tot genotypische en fenotypische laboratoriumresultaten. Leverancier en zorgaanbieder kunnen hiernaast aanvullende (detail)afspraken maken.

4.1 Beschikbaarstellen van laboratoriumresultaten

Een laboratorium codeert de bepalingen met een code uit een codesysteem om extern te communiceren. Op dit moment is het NHG-codestelsel het meest gebruikte codestelsel. Met de migratie naar het gebruik van de informatiestandaard is LOINC het elementaire codestelsel. Een laboratorium zal de bepalingen in zijn systeem coderen met een LOINC-code en zal de laboratoriumresultaten met minimaal deze codering beschikbaar stellen. Alleen de fenotypische en genotypische laboratoriumresultaten worden historisch beschikbaar gesteld.

Uitwisseling meerdere berichtenstromen

Figuur 5. Overzicht van de volgorde van verschillende processtappen LIS

4.2 Algemene migratieafspraken

4.2.1 Onderscheid tussen eigen en andermans laboratoriumgegevens

Bij migratie is het essentieel dat systemen onderscheid maken tussen ‘eigen’ en ‘andermans’ laboratoriumgegevens. Dat houdt in laboratoriumresultaten die in het eigen laboratorium zijn onderzocht, en laboratoriumresultaten van laboratoriumonderzoeken die door het laboratorium zijn uitbesteed. Het systeem fungeert als bron van ‘eigen’ gegevens, terwijl andere systemen bron zijn van ‘andermans’ gegevens. Het uitwisselen van laboratoriumgegevens vindt onder andere plaats via de transactie voor het raadplegen/beschikbaar stellen (of sturen/ontvangen) van laboratoriumgegevens. Deze transactie verbiedt het beschikbaar stellen van informatie van anderen.

Laboratoriuminformatiesystemen moeten kunnen achterhalen op welke manier de laboratoriumresultaten zijn verkregen. Ter verduidelijking: als het laboratorium een laboratoriumonderzoek heeft uitgevoerd, zal dit een eigen laboratoriumresultaat betreffen. Als laboratorium A het laboratoriumonderzoek heeft uitbesteed aan laboratorium B, dan is dat laboratoriumresultaat ‘eigen’ van laboratorium A. Laboratorium A stelt het resultaat dan ook beschikbaar. Het laboratorium dat de aanvraag heeft ontvangen is verantwoordelijk voor het resultaat en is daarmee de bron, ook bij uitbesteding. Laboratorium B moet bij beschikbaarstellen kunnen onderscheiden dat de resultaten verkregen voor laboratorium A, niet door eigen informatiesysteem beschikbaar gesteld zullen worden.

Deze benadering geldt ook voor andere type systemen in de keten, zoals huisartsinformatiesystemen en apotheekinformatiesystemen. Ook zij mogen de verkregen laboratoriumresultaten niet beschikbaarstellen. Deze afspraak is van belang om te voorkomen dat er onnodig dubbele laboratoriumbouwstenen worden uitgewisseld wanneer er meerdere systemen betrokken zijn bij een patiënt.

4.2.2 Identificeren

Elk laboratoriumresultaat wordt door de eigenaar van het laboratoriumresultaat geïdentificeerd. Elk ander systeem dient deze identificatie over te nemen bij ontvangst van het laboratoriumresultaat. De identificatie bestaat uit het OID. Er is een format afgesproken op basis van drie uitgangspunten:

  1. Nictiz kan geen vaste substructuur voorschrijven binnen een OID die door een externe organisatie wordt beheerd. Alleen de beheerder van een OID bepaalt hoe de onderliggende branches van die OID worden ingericht.
  2. Een OID is bedoeld voor uniek identificeren van verschillende objecten binnen een zorginstellingsysteem. Voor de ontvanger is vooral van belang dat de identificatie uniek en stabiel is.
  3. Het ontvangende systeem mag geen klinische of semantische betekenis afleiden uit de OID. Klinische betekenis, zoals bepaling, materiaal, testtype, NHG/LOINC-code, hoort in afzonderlijke berichtvelden te worden opgenomen.

Een laboratorium gebruikt een eigen beheerde OID. Onder deze OID kan de organisatie zelf een branch reserveren voor laboratoriumresultaten. Binnen die branch wordt per laboratoriumresultaat een unieke identifier uitgegeven. Algemeen voorgesteld patroon in FHIR (JSON formaat):


Voorgesteld patroon in FHIR JSON formaat

Figuur 6. Algemeen voorgesteld patroon branch in FHIR


Hierbij geldt: Identifier.system = het identificatiesysteem, beheerd door de organisatie (OID) Identifier.value = de unieke identificatie van het specifieke resultaat binnen dat systeem.

Voorbeeld:

Voorgesteld identifier in FHIR JSON formaat

Figuur 7. Voorbeeld identifier FHIR

4.2.2.1 Uitbesteding

Laboratoriumresultaten kunnen worden uitbesteed aan andere laboratoria. Dit proces continueert tijdens de beproeving, maar is buiten de scope van de beproeving. De reden hiervoor is dat anders Lab2lab ook aanpassingen moet doen zodat de unieke identificatie uitgewisseld, ontvangen en verwerkt kan worden. Daarbij is de verwachting dat de laboratoriumresultaten t.b.v. medicatiebewaking en veiligheid niet worden uitbesteed aan een ander laboratorium. Mocht dit toch het geval zijn, dan wordt het OID niet meegegeven aan het uitbestedend laboratorium.

5 Raadplegen/ontvangen en consolideren

5.1 Raadplegen en consolideren laboratoriumgegevens door AIS

Bij een AIS is in de gestelde scope géén sprake van beschikbaar stellen van laboratoriumresultaten. De migratie betreft de eenmalige technische inrichting van het AIS zodat het in overeenstemming met de informatiestandaard kan raadplegen. Het kan voorkomen dat dezelfde laboratoriumgegevens in verschillende stromen wordt uitgewisseld met een AIS. Hierdoor kunnen dubbele laboratoriumresultaten voorkomen bij het apotheekinformatiesysteem. Het AIS kan die dubbele resultaten consolideren. Hiervoor zijn afspraken gemaakt (zie 5.1.1). Eerst volgen enkele voorbeelden waarbij dubbele laboratoriumresultaten in het AIS komen:

  1. Dubbele laboratoriumresultaat Nierfunctie: door het meegestuurde nierfunctie resultaat die verplicht mee moet met de MA, welke NHG code bevat.
  2. Dubbele laboratoriumresultaten door Lab4Apo: Lab4Apo-koppeling codeert resultaten met NHG-codes.
  3. Apotheekhoudende huisartsen: interne communicatie via Edifact en NHG-codes bij apotheekhoudende huisartsen.


Processtap raadplegen

Figuur 8. Overzicht van de volgorde van verschillende processtappen AIS


5.1.1 Afspraken consolideren

Indien laboratoriumresultaten ‘’’enkel’’’ uitgewisseld worden in FHIR kan op basis van LaboratoriumUitslagIdentificatie (hier staat het OID) en VersionID ontdubbeld worden. Aangezien in de hybride situatie sprake is van uitwisselingen met diverse communicatiestromen, zijn de volgende afspraken gemaakt.

  • de code waarmee de laboratoriumtest wordt aangeduid, bijvoorbeeld LOINC, NHG of een lokale code (meer codes middels codeable.coding);
  • de datum waarop de test is uitgevoerd;
  • de identificatie van de uitvoerder van het laboratoriumonderzoek (root OID + LABID);
  • de status van het laboratoriumresultaat.

5.1.2 Voorbeeldsituaties

5.1.2.1 Nierfunctie

Een huisarts vraagt laboratoriumonderzoek aan bij het laboratorium. Het laboratorium stelt het laboratoriumresultaat beschikbaar: met laboratoriumUitslagIdentificatienummer, met een LOINC-code, en stuurt ook een NHG-code mee. Het laboratorium stuurt het laboratoriumresultaat in EDIFACT naar de huisarts: zonder laboratoriumUitslagIdentificatienummer en met een NHG-code.

De apotheker heeft beschikking over het zelfde laboratoriumresultaat in zowel NHG- als LOINC-codering.

  1. De huisarts stuurt, en de apotheker ontvangt, dit laboratoriumresultaat met NHG-code tezamen met de medicatieafspraak in FHIR. In dit laboratoriumbericht is het element laboratoriumUitslagIdentificatienummer niet gevuld omdat dit in het oorspronkelijke EDIFACT-bericht ook niet is meegestuurd.
  2. Bij raadplegen heeft de apotheker de beschikking over hetzelfde laboratoriumresultaat, maar met laboratoriumUitslagIdentificatienummer, met een LOINC-code én NHG-code.

De apotheker kan deze twee laboratoriumresultaten ontdubbelen op basis van de afspraken.

5.1.2.2 Lab4Apo

Een huisarts vraagt laboratoriumonderzoek aan bij het laboratorium. Het laboratorium stelt het laboratoriumresultaat beschikbaar: met LaboratoriumUitslagIdentificatienummer, met een LOINC-code, en stuurt ook een NHG-code mee. Bij raadplegen krijgt de apotheker de laboratoriumresultaten in het systeem die door het laboratorium beschikbaar zijn gesteld: voorzien van een LaboratoriumUitslagIdentificatienummer, een LOINC-code, én een NHG-code.

Via de Lab4Apo-koppeling krijgt de apotheker laboratoriumresultaten gestuurd middels EDIFACT. De laboratoriumresultaten zijn voorzien van een NHG-code. Hierdoor ontvangt de apotheker dezelfde resultaten nog eens.

5.1.2.3 Apotheekhoudende huisartsen

Een apotheekhoudende huisarts ontvangt een laboratoriumresultaat met NHG-code in EDIFACT. Het laboratorium stelt ditzelfde laboratoriumresultaat beschikbaar met een LOINC-code én een NHG-code. Apotheekhoudende huisartsen ontvangen bij raadplegen het laboratoriumresultaat met LOINC-code en NHG-code. De apotheekhoudende huisarts kan deze twee laboratoriumresultaten ontdubbelen op basis van de afspraken.

5.2 Raadplegen laboratoriumgegevens door PGO

Bij een PGO is in de gestelde scope géén sprake van beschikbaar stellen van laboratoriumresultaten. De migratie betreft de eenmalige technische inrichting van de PGO zodat het in overeenstemming met de informatiestandaard kan raadplegen (cq verzamelen) van laboratoriumresultaten.

Processtap Raadplegen PGO

Figuur 9. Overzicht van de volgorde van verschillende processtappen PGO

5.2.1 Dubbele laboratoriumresultaten in de PGO

Het kan voorkomen dat dezelfde laboratoriumgegevens met verschillende gegevensdiensten wordt verzameld door een PGO. Hierdoor kunnen dubbele laboratoriumresultaten voorkomen bij de PGO. Hieronder volgt een voorbeeld:

    • Via de transactie Verzamelen laboratoriumgegevens kan een aangesloten PGO-systeem in de transitiefase laboratoriumgegevens ontvangen vanuit aangesloten LIS-systemen middels de gegevensdienst Uitwisseling laboratoriumgegevens. Laboratoriumresultaten komen ook op de PGO door de gegevensdienst Huisartsgegevensdienst. Hierdoor worden dezelfde laboratoriumresultaten weergegeven op de PGO.

Conform de weergaverichtlijn van de PGO's tonen de PGO's de gegevens die zij aangeleverd krijgen. Laboratoriumresultaten worden via diverse gegevensdiensten verzameld door de PGO. Op het moment van schrijven (augustus 2026) is het nog niet mogelijk om die resultaten op de PGO te ontdubbelen. Het gevolg is dat een patiënt/cliënt laboratoriumresultaten dubbel ziet staan in de PGO. De afspraken die zijn gemaakt vanuit MedicatieOverdracht PGO Lab zijn van toepassing op de informatiestandaard Uitwisseling Laboratoriumgegevens, en niet op andere informatiestandaarden of gegevensdiensten die laboratoriumresultaten uitwisselen. Het kan hierdoor voorkomen dat de patiënt/cliënt niet altijd een eenduidig beeld in de PGO ziet. Nictiz werkt aan een manier om laboratoriumresultaten eenduidig uit te wisselen, ook als onderdelen in meer informatiestandaarden/gegevensdiensten gebruikt worden.

6 Aandachtspunten gedurende de transitiefase

Dit hoofdstuk geeft een toelichting op aandachtspunten in de transitiefase.

6.1 NHG en LOINC-codes

In de transitiefase is het belangrijk om extra aandacht te besteden aan de gebruikte Testcodes en codes voor Onderzoek. In het gebruik van de informatiestandaard wordt de [2]gevolgd. In de Nederlandse labcodeset is gedefinieerd dat de Testcode en de Onderzoekscode met LOINC gecodeerd worden. Voor het consolideren van laboratoriumresultaten is het belangrijk om, indien bekend, ook de NHG-code mee te sturen.

6.2 Correcties op een gecorrigeerd laboratoriumresultaat

De afspraken voor het ontdubbelen in de hybride situatie is ontoereikend bij een correctie op een gecorrigeerd laboratoriumresultaat. In dat geval blijft de status namelijk corrected, waardoor een nieuwe correctie ten onrechte als duplicaat kan worden gezien. Het probleem kan als volgt worden geïllustreerd. Let op, dit is een vrije invulling van de inhoud, puur bedoeld ter weergave.

Stap Objectidentificatie Status Resultaat Betekenis
1 1111.222.33.4 final 0,5 oorspronkelijk definitief resultaat
2 1111.222.33.4 corrected 0,7 eerste correctie
3 1111.222.33.4 corrected 0,6 correctie op eerdere correctie

Tabel 1. Vrije invulling ter illustratie dat status hetzelfde blijft na correctie op correctie

Wanneer een ontvangend systeem alleen kijkt naar objectidentificatie en status, lijken stap 2 en stap 3 gelijk: beide hebben dezelfde identificatie en dezelfde status corrected. Het systeem kan de derde stap dan ten onrechte als duplicaat behandelen, terwijl het juist een nieuwere correctie betreft. Het toevoegen van de status aan de OID, bijvoorbeeld door .f of .c toe te voegen, is geen gewenste oplossing. De objectidentificatie moet stabiel blijven en mag niet wijzigen op basis van de status. De OID identificeert het laboratoriumresultaat; de status en versie-informatie beschrijven de toestand of versie van dat resultaat. In de hybride fase zal daarom bij elk resultaat met status corrected het toelichtingsveld verplicht gevuld worden.

Het toelichtingsveld moet minimaal duidelijk maken:

  • dat het resultaat is gecorrigeerd;
  • welke eerdere waarde is vervallen of herzien;
  • wat de actuele waarde is;
  • indien beschikbaar: datum en tijdstip van de wijziging;
  • bij correctie op correctie: dat de eerdere gecorrigeerde waarde is vervangen door een nieuwe gecorrigeerde waarde. Dit is ook in lijn met ISO 15189, paragraaf 5.9.3.

Voor de systemen betekent dit concreet:

  • Verzendende systemen moeten bij gecorrigeerde resultaten dezelfde objectidentificatie behouden, beschikbare wijzigings- of versiegegevens meesturen en duidelijk toelichten welke eerdere waarde is vervangen.
  • Ontvangende systemen mogen een nieuw corrected bericht met dezelfde identificatie en status niet automatisch als duplicaat behandelen, maar moeten bepalen welke versie actueel is.

Wanneer het systeem meerdere eerdere waarden kan vermelden, heeft dat de voorkeur. Daarmee wordt beter aangesloten bij het uitgangspunt van ISO 15189 dat herzieningen herkenbaar blijven en eerdere registraties niet zonder context verdwijnen.

6.2.1 EDIFACT-voorbeeld

Onderstaand EDIFACT-voorbeeld verduidelijkt hoe het verplichte toelichtingsveld bij een gecorrigeerd laboratoriumresultaat kan worden gevuld. Het laat zien hoe de eerdere en actuele waarde, en bij een correctie op een correctie ook de eerdere gecorrigeerde waarde, herkenbaar in het bericht kunnen worden opgenomen.

Voorbeeld EDIFACT correctie op correctie

Figuur 10. Voorbeeld EDIFACT bericht wanneer het verplichte toelichtingsveld is gevuld met een gecorrigeerd resultaat na eerdere correctie

In dit voorbeeld maken we gebruik van één verplicht gegevenselement 4451 (TEXT SUBJECT CODE QUALIFIER) met de waarde AAI (wat ‘Algemene informatie’ betekent), laten we enkele optionele velden achterwege en vullen we C108 (TEXT LITERAL) in met de informatie over de gecorrigeerde waarde.

7 Bijlage: Afkortingen en definities

Deze bijlage biedt een uitgebreide lijst van afkortingen en definities die cruciaal zijn voor een goed begrip van de context en uitdagingen die komen kijken bij de implementatie van uitwisseling laboratoriumgegevens. Het begrijpen van deze termen is essentieel voor het correct interpreteren en toepassen van de afspraken in de praktijk.

Afkortingen

  • AIS: Apotheekinformatiesysteem
  • FMS: Federatie Medisch Specialisten
  • MA: Medicatieafspraak
  • MSZ: Medisch-specialistische Zorg
  • NHG: Nederlands Huisarts Genootschap
  • OID: Object Identifier
  • PGO: Persoonlijke gezondheidsomgeving
  • LIS: Laboratoriuminformatiesysteem
  • LOINC: Logical Observation Identifiers Names and Codes


Definities

  • Beschikbaarstellen: het proces waarbij een systeem eigen medisch inhoudelijke gegevens (in deze standaard laboratoriumgegevens) ter beschikking stelt voor raadpleging door andere systemen.
  • Co-existentie: de situatie waarin binnen de keten de noodzaak bestaat tot het uitwisselen van gegevens in meerdere standaarden.
  • Coderen: het toekennen van een LOINC-code aan een laboratoriumbepaling in het bronsysteem, zodat resultaten van die bepaling structureel uitwisselbaar zijn.
  • Consolideren: het proces waarbij het informatiesysteem beschikbare laboratoriumgegevens samenvoegt met ontvangen gegevens uit verschillende bronnen.
  • Hybride situatie: De situatie waarbij een systeem (tijdelijk) zowel Uitwisseling Laboratoriumgegevens als eerdere berichtenstromen, zoals EDIFACT ondersteunt om uitwisseling van laboratoriumresultaten gedurende de transitiefase te kunnen waarborgen.
  • Inbestedend laboratorium: het laboratorium die een onderzoek uitvoert in opdracht van een ander laboratorium, die niet de mogelijkheid heeft om het laboratoriumonderzoek zelf uit te voeren. Het inbestedend laboratorium stuurt de resultaten terug naar het uitbestedend laboratorium, is geen eindverantwoordelijke van deze resultaten en stelt deze niet beschikbaar voor de keten.
  • Migreren: de eenmalige technische inrichting van een systeem, zodat dit conform de informatiestandaard domein Lab2zorg kan uitwisselen.
  • Transitie: het proces van migreren en co-existentie dat uiteindelijk leidt tot de gegevensuitwisseling via Lab2zorg.
  • Transitiefase: deze fase begint met de migratie van het eerste systeem en eindigt wanneer alle deelnemende systemen van de beproeving zijn overgestapt naar de usecases uit de scope van de beproeving Labwaarden.
  • Raadplegen: het proces van opvragen van actuele beschikbare medisch inhoudelijke gegevens (in deze standaard betreft dit laboratoriumresultaten), uit het laboratorium als bron voor Lab2zorg en Lab2patient.
  • Uitbestedend laboratorium: het laboratorium die vanuit de zorgverlener een aanvraag tot laboratoriumonderzoek heeft ontvangen en (een deel van) het onderzoek uitbesteed aan een ander laboratorium. Het uitbestedend laboratorium blijft verantwoordelijk voor de resultaten en stelt deze beschikbaar wanneer bekend en ontvangen van het inbestedend laboratorium.

8 Bijlage: Documenthistorie en beheerproces

Versie Datum Releasenotes
0.9 04 sepetember 2026
  • Opzet wiki Implementatiehandleiding