Herstructurering FO MP9
|
Deze pagina betreft een demo |
|
Aan deze pagina wordt momenteel gewerkt. |
Inhoud
- 1 Inleiding
- 2 Conceptueel model
- 2.1 Aanleiding ontwikkeling conceptueel model
- 2.2 Uitgangspunten conceptueel model
- 2.3 Medicatiebouwstenen en voorstelgegevens
- 2.4 Het begrip 'medicamenteuze behandeling'
- 2.5 Samenhang medicamenteuze behandeling en medicatiebouwstenen
- 2.6 Sturen en/of beschikbaar stellen
- 3 Informatieoverdracht
- 4 Consolideren: wat, waarom en hoe
- 4.1 Wat is consolideren?
- 4.2 Wat is het doel van consolideren?
- 4.3 Proces van consolideren
- 4.4 Relevante begrippen voor de beschrijving van de consolidatieregels
- 4.5 Consolidatieregels
- 4.6 Overzichten van medicatiegegevens
- 5 Medicatieproces
- 5.1 Deelproces Medicatieverificatie
- 5.2 Deelproces Voorschrijven
- 5.2.1 Overzicht deelproces Voorschrijven
- 5.2.2 Medicatieafspraak
- 5.2.3 Wisselend doseerschema
- 5.2.4 Verstrekkingsverzoek
- 5.2.5 Informatieoverdracht tijdens deelproces Voorschrijven
- 5.3 Deelproces: Ter hand stellen
- 5.4 Deelproces: Toedienen
- 5.5 Deelproces: Gebruiken
- 5.6 Klinisch proces
- 6 Aanvullende informatie
1 Inleiding
Dit hoofdstuk moet nog geautoriseerd worden. Onderstaande versie komt overeen met 20251218 Hoofdstuk 1 Inleiding v092 concept.docx
Dit document is onderdeel van de informatiestandaard Medicatieproces (MP9), ontwikkeld binnen het programma Medicatieoverdracht. Tijdens de Kickstart wordt de in de informatiestandaard beschreven werkwijze beproefd en zo nodig bijgesteld.
1.1 Algemeen
Dit document beschrijft het functioneel ontwerp (FO) van de informatiestandaard Medicatieproces. Het beschrijft de vastlegging en uitwisseling van medicatiegegevens en licht dit toe met specifieke praktijkvoorbeelden. Dit wordt uitgelegd aan de hand van actoren (mensen en informatiesystemen) en transacties (welke informatie wordt wanneer en op welke wijze uitgewisseld). Voor meer informatie over informatiestandaarden en hoe deze worden ontwikkeld, zie de Nictiz webpagina voor informatiestandaarden. In het begrippenoverzicht op de website van Nictiz en de begrippenlijst op de site van het programma Medicatieoverdracht staat uitleg van de begrippen die voorkomen in dit FO. Links naar het technisch ontwerp zijn hier te vinden.
1.2 Doelgroep
De doelgroep voor dit document bestaat uit:
- Productmanagers, architecten, ontwerpers, bouwers en testers van:
- – leveranciers van medicatiegerelateerde informatiesystemen;
- – zorgorganisaties en regio-organisaties;
- – Nictiz;
- Vertegenwoordigers van zorgverleners en patiënten.
1.3 Kaders en uitgangspunten
1.3.1 Wetgeving
De overdracht van medicatiegegevens zoals in dit document beschreven voldoet aan de wet- en regelgeving. Het versturen van een medicatieafspraak gecombineerd met een verstrekkingsverzoek komt overeen met een recept zoals gedefinieerd in de Geneesmiddelenwet. Nadere uitleg hierover is te vinden in de NEN 7503 Gegevensuitwisseling in de zorg – Elektronische verwerking en uitwisseling van gegevens voor het voorschrijven en ter hand stellen van medicatie. De Richtlijn Overdracht van Medicatiegegevens in de keten bevat ook toelichting op de wettelijke eisen aan de uitwisseling van medicatiegegevens.
1.3.2 Richtlijn en proces
In 2020 is de herziene kwaliteitsstandaard Richtlijn Overdracht van Medicatiegegevens in de keten gepubliceerd door het Zorginstituut Nederland. Het doel is daarin als volgt omschreven:
“Het overdragen van medicatiegegevens in het netwerk van de patiënt, zodat voorschrijvers, apothekers, en toedieners op het moment van voorschrijven, ter hand stellen en toedienen binnen de keten continuïteit van zorg kunnen leveren en een verantwoorde risico-inschatting kunnen maken ten behoeve van veilige medische en farmaceutische zorg.”
De bijbehorende Informatieparagraaf beschrijft globaal de vastlegging en uitwisseling van medicatiegegevens. De informatiestandaard werkt dit in detail uit. Het medicatieproces bestaat op hoofdlijnen uit de deelprocessen:
- Voorschrijven
- Ter hand stellen
- Toedienen
- Gebruiken
Daarbij is ook het deelproces medicatieverificatie van belang. In hoofdstuk 5 Medicatieproces wordt het zorgproces beschreven.
1.3.3 Reikwijdte informatiestandaard
De reikwijdte van de informatiestandaard beslaat de functionele beschrijvingen (dit FO) en de dataset voor alle gegevensuitwisselingen binnen alle deelprocessen in het medicatieproces (in ART-DECOR).
1.4 Kwalificatie
Op basis van dit FO en de daarbij behorende dataset wordt een kwalificatiescript opgesteld. Het opstellen van kwalificatiescripts valt buiten de scope van dit FO. Voor meer informatie zie de Nictiz-pagina over Kwalificatie en de landingspagina van de Kickstart.
1.5 Leeswijzer
1.5.1 Usecases en scenario's in dit FO
Informatiestandaarden worden bij Nictiz doorgaans beschreven aan de hand van usecases. In die informatiestandaarden is een usecase gedefinieerd als een beschrijving van een praktijksituatie in de zorg, die gekoppeld is aan een scenario. Een scenario is een samenhangende groep transacties voor het uitwisselen van gegevens. Het FO voor MP9 behandelt de zorgbrede uitwisseling van medicatiegegevens tussen een groot aantal verschillende betrokkenen en in uiteenlopende zorgsituaties. Binnen MP9 kunnen daarom in één deelproces verschillende usecases met bijbehorende scenario’s voorkomen. Een scenario kan ook in meer dan één deelproces van toepassing zijn. Verder wordt bij MP9 veel aandacht besteed aan de vastlegging van gegevens, naast het uitwisselen ervan. Voor MP9 is daarom gekozen voor een andere indeling:
- Hoofdstuk 3 Informatieoverdracht geeft een overzicht van de scenario's met hun transacties, en de daarvoor benodigde systeemrollen. Hierbij wordt aangegeven in welke deelprocessen deze voorkomen.
- De beschrijving van het zorgproces staat in hoofdstuk 5 Medicatieproces. Voor elk deelproces wordt aangegeven welke systeemrollen hierbij nodig zijn.
1.5.2 Overzicht hoofdstukken
Hoofdstuk 1 Inleiding geeft algemene informatie over het FO van MP9.
Hoofdstuk 2 Conceptueel model beschrijft het onderliggende conceptuele model waar MP9 op gebaseerd is: de aanleiding voor het ontwikkelen van dit model, uitgangspunten, definities en werkwijze.
Hoofdstuk 3 Informatieoverdracht geeft een overzicht van de relevante informatiesystemen, systeemrollen, scenario's en transacties, en de daarbij betrokken bouwstenen.
Hoofdstuk 4 Consolideren beschrijft wat consolideren is en wat voor MP9 de bijbehorende regels zijn.
Hoofdstuk 5 Medicatieproces beschrijft hoe het proces er in grote lijnen uitziet, welke deelprocessen erin voorkomen en hoe medicatiegegevens daarin worden gebruikt, vastgelegd en uitgewisseld.
Hoofdstuk 6 Aanvullende informatie bevat tekst die niet elders een plaats heeft gekregen en verwijzingen naar relevante documentatie buiten dit FO.
1.5.3 Praktijkvoorbeelden op eigen pagina's
Vanwege de lengte van dit FO zijn de praktijkvoorbeelden naar pagina’s buiten deze hoofdpagina verplaatst. Er is een pagina met alle voorbeelden en aparte pagina’s met voorbeelden per deelproces of deelonderwerp.
1.5.4 Schrijfconventies
De volgende schrijfconventies worden gevolgd in dit FO:
- De medicatiebouwstenen worden als afkorting geschreven. Alleen bij de eerste introductie en in paragraaftitels worden de volledige namen uitgeschreven. Doel is om de tekst korter en beter leesbaar te maken, zeker in geval van lange namen als 'wisselend doseerschema' of 'antwoord voorstel verstrekkingsverzoek'.
- Data-elementen van de bouwstenen en waarden uit waardelijsten worden geschreven zoals ze in de dataset in ART-DECOR staan, inclusief hoofdletters. Op deze manier is altijd duidelijk wat er bedoeld wordt.
- In dit FO wordt de term 'patiënt' gebruikt waarmee zowel patiënten als cliënten worden bedoeld.
- In dit FO wordt de term 'verstrekker' gebruikt. Een verstrekker is een apotheker of apotheekhoudend huisarts die het proces van ter hand stellen uitvoert of onder wiens verantwoordelijkheid dat gebeurt.
2 Conceptueel model
Dit hoofdstuk moet nog geautoriseerd worden. Onderstaande versie komt overeen met 20251218 Hoofdstuk 2 Conceptueel model v092 concept.docx
In dit hoofdstuk wordt het model uitgelegd dat aan de basis staat van MP9.
Paragraaf 2.1 bespreekt de aanleiding voor het ontwikkelen van dit model.
Paragraaf 2.2 legt de basisprincipes uit.
Paragraaf 2.3 beschrijft de medicatiebouwstenen en de voorstelgegevens.
Paragraaf 2.4. introduceert het begrip 'medicamenteuze behandeling' en de functionele toepassing ervan.
Paragraaf 2.5 geeft uitleg over de samenhang tussen bouwstenen en medicamenteuze behandeling.
Paragraaf 2.6 beschrijft hoe deze bouwstenen uitgewisseld kunnen worden.
2.1 Aanleiding ontwikkeling conceptueel model
Registratie en communicatie van medicatiegegevens verlopen grotendeels digitaal. In de loop van de tijd zijn daarin diverse problemen aan het licht gekomen. Dit is onderzocht in een project van NHG en KNMP in 2012-2013. De conclusie was dat therapeutische en logistieke aspecten door elkaar lopen bij het vastleggen en communiceren van medicatiegegevens. Daarnaast ontbreekt er een eenduidig en gedeeld begrippenkader.
Het bovenstaande is uitgewerkt in een rapport, Bouwstenen voor het medicatieproces uit 2014. Hierin wordt een conceptueel model beschreven waarin therapeutische en logistieke gegevens uit elkaar worden getrokken. Dit model is de basis voor de informatiestandaard MP9. De teksten in dit hoofdstuk zijn deels gebaseerd op dit rapport.
2.2 Uitgangspunten conceptueel model
Het conceptuele model is tot stand gekomen door de deelprocessen in het medicatieproces als vertrekpunt te nemen:
- voorschrijven
- ter hand stellen
- toedienen
- gebruiken
Tijdens deze deelprocessen ontstaat informatie die wordt vastgelegd in de vorm van medicatiebouwstenen. Een bouwsteen in een informatiestandaard is een verzameling samenhangende data-elementen rond een bepaald concept binnen een bepaalde context, bijvoorbeeld een medicatieafspraak in het medicatieproces. Deze data-elementen beschrijven de gegevens die nodig zijn voor een heldere en eenduidige representatie van dit concept. De verschillende medicatiebouwstenen representeren stappen in het medicatieproces rondom de patiënt: voorschrijven van een geneesmiddel (medicatieafspraak, verstrekkingsverzoek, wisselend doseerschema), gevolgd door het ter hand stellen (toedieningsafspraak, medicatieverstrekking), toedienen (medicatietoediening) en gebruiken (medicatiegebruik) van dat geneesmiddel.
Tijdens een deelproces worden de data-elementen van de betreffende bouwsteen voor zover mogelijk en relevant ingevuld. Dit resulteert in een concrete invulling van die bouwsteen. Dit wordt een instantiatie genoemd. Instantiaties van bouwstenen kunnen digitaal worden uitgewisseld: ofwel door ze actief naar een andere zorgverlener te sturen, ofwel door ze beschikbaar te stellen voor raadpleging door een andere zorgverlener op een willekeurig moment (zie paragraaf 2.6). Hierdoor kan een zorgverlener op elk moment beschikken over alle medicatiegegevens van een patiënt, zoals bedoeld in de kwaliteitsstandaard Richtlijn Overdracht van Medicatiegegevens in de Keten.
Volledige uitleg van het conceptuele model is te vinden in het originele rapport Bouwstenen voor het medicatieproces.
2.3 Medicatiebouwstenen en voorstelgegevens
In deze paragraaf worden de medicatiebouwstenen en voorstelgegevens beschreven. Na de eerste introductie worden verder de afkortingen van de bouwstenen gebruikt, behalve in paragraaftitels.
2.3.1 Therapeutische en logistieke bouwstenen
Binnen de medicatiebouwstenen wordt onderscheid gemaakt tussen therapie en logistiek:
Therapie
Dit betreft de medisch-inhoudelijke aspecten. Het omvat onder andere de medicamenteuze (behandelings-)afspraken en de uitvoering ervan. Ook de therapeutische intentie, het (werkelijke) gebruik en zelfmedicatie vallen hieronder. De therapeutische bouwstenen zijn: Medicatieafspraak (MA), Toedieningsafspraak (TA), Wisselend Doseerschema (WDS), Medicatietoediening (MTD) en Medicatiegebruik (MGB).
Logistiek
Dit gaat over aspecten rondom de fysieke goederenstroom van geneesmiddelen, zoals aanvragen en afleveringen. De logistieke bouwstenen zijn: Verstrekkingsverzoek (VV) en Medicatieverstrekking (MVE).
Figuur 2.1 geeft de medicatiebouwstenen weer, verdeeld naar deelproces en onderscheid therapie/logistiek.
![]()
Figuur 2.1 Overzicht therapeutische en logistieke medicatiebouwstenen
Onderstaande tabel geeft een beschrijving van de bouwstenen.
| Bouwsteen | Afk. | Beschrijving |
|---|---|---|
| medicatieafspraak | MA | Een medicatieafspraak is de afspraak tussen de voorschrijver en de patiënt over het gebruik van medicatie door deze patiënt. Ook de afspraak om het medicatiegebruik te stoppen of te wijzigen is een medicatieafspraak. |
| wisselend doseerschema | WDS | Met het wisselend doseerschema wordt het onderdeel gebruiksinstructie van een medicatieafspraak concreet ingevuld. Het doseerschema kan tussentijds aangepast worden zonder dat de medicatieafspraak gewijzigd hoeft te worden. |
| verstrekkingsverzoek | VV | Een verstrekkingsverzoek is het verzoek van een voorschrijver aan de verstrekker tot medicatieverstrekking(en) aan de patiënt in lijn met de bijbehorende medicatieafspraken. |
| toedieningsafspraak | TA | Een toedieningsafspraak is de gebruiks- of toedieningsinstructie van de verstrekker aan de patiënt, diens vertegenwoordiger of toediener, waarbij de medicatieafspraak concreet wordt ingevuld. |
| medicatieverstrekking | MVE | Een medicatieverstrekking is de uitgifte van een hoeveelheid van een geneesmiddel aan de patiënt, diens vertegenwoordiger of toediener. |
| medicatietoediening | MTD | Een medicatietoediening is de afzonderlijke toediening van een geneesmiddel aan de patiënt door de toediener. |
| medicatiegebruik | MGB | Medicatiegebruik is een uitspraak over het historisch, huidig of voorgenomen gebruik van een geneesmiddel door de patiënt. De uitspraak kan vastgelegd worden door de patiënt zelf maar ook door een zorgverlener of een vertegenwoordiger van de patiënt. |
2.3.2 Voorstelgegevens
Het kan voorkomen dat een zorgverlener of patiënt een voorstel wil doen voor een nieuwe MA of VV. Om dit te ondersteunen zijn voorstelgegevens geïntroduceerd. Onderstaande tabel geeft een beschrijving van deze voorstelgegevens.
| Bouwsteen | Afk. | Beschrijving |
|---|---|---|
| voorstel medicatieafspraak | VMA | Het voorstel medicatieafspraak is een voorstel van een zorgverlener of de patiënt aan de voorschrijver met betrekking tot het voorschrijven van medicatie. Het voorstel kan inhouden de medicatie te stoppen, starten, wijzigen of continueren. |
| antwoord voorstel medicatieafspraak | AVMA | Het antwoord voorstel medicatieafspraak is een antwoord van de voorschrijver op het voorstel medicatieafspraak. Hierin geeft de voorschrijver aan akkoord te gaan (waarna een (aangepaste) medicatieafspraak zal volgen) of niet (en de reden daarvoor). |
| voorstel verstrekkingsverzoek | VVV | Het voorstel verstrekkingsverzoek is een voorstel van een zorgverlener of de patiënt aan de voorschrijver om een medicatieverstrekking te fiatteren ten behoeve van de bijbehorende medicatieafspraak. |
| antwoord voorstel verstrekkingsverzoek | AVVV | Het antwoord voorstel verstrekkingsverzoek is een antwoord van de voorschrijver op het voorstel verstrekkingsverzoek. Hierin geeft de voorschrijver aan akkoord te gaan (waarna een verstrekkingsverzoek zal volgen) of niet (en de reden daarvoor). |
Een voorstel kan resulteren in een nieuwe MA of VV. Er wordt altijd een AVMA of AVVV naar de voorsteller gestuurd. Een voorstel is alleen bedoeld voor de voorschrijver waar het voorstel aan gericht is, niet voor de rest van de keten. Het zijn dus geen bouwstenen (zoals in paragraaf 2.3.1) waarmee een overzicht van medicatie kan worden opgebouwd, al staan ze wel ook in de dataset in ART-DECOR. In hoofdstuk 3 wordt het scenario Voorstelgegevens verder toegelicht.
2.3.3 Medicatiebouwstenen en zorginformatiebouwstenen
Zorginformatiebouwstenen (zibs) zijn conceptuele modellen. Elke informatiestandaard gebruikt deze als bouwblokken. Maar zibs zijn context-onafhankelijk en in informatiestandaarden kan het nodig zijn om extra informatie toe te voegen om die context te verduidelijken. Daardoor zijn er in de uitwerking enige verschillen tussen de medicatiebouwstenen in dit FO en de medicatiezibs. Voor meer informatie over de zibs zie zibs.nl.
2.4 Het begrip 'medicamenteuze behandeling'
In deze paragraaf worden het begrip ‘medicamenteuze behandeling’ (MBH) en de functionele toepassing ervan geïntroduceerd.
2.4.1 Medicamenteuze behandeling als technisch begrip
Er kunnen verschillende medicatiebouwstenen bestaan die betrekking hebben op dezelfde behandeling. Om aan te geven dat deze bouwstenen bij elkaar horen is het begrip ‘medicamenteuze behandeling’ geïntroduceerd. Het gaat hierbij om een technisch begrip, een MBH heeft geen zorginhoudelijke betekenis. Het heeft de vorm van een uniek identificatienummer (id) dat door een informatiesysteem aan een bouwsteen of verzameling van samenhangende bouwstenen gekoppeld wordt.
De MBH maakt het volgende mogelijk:
- eenduidig identificeren van de verzameling van samenhangende medicatiebouwstenen;
- toepassen van regels op een verzameling van bouwstenen om eenduidig te bepalen wat de actuele situatie van een patiënt is wat betreft diens behandeling met een bepaald geneesmiddel (zie hoofdstuk 4 Consolideren).
2.4.2 Starten van een nieuwe medicamenteuze behandeling
Het starten van een behandeling met een geneesmiddel gebeurt door een eerste bouwsteen vast te leggen. Hiermee wordt een nieuwe MBH gestart. De eerste bouwsteen zal meestal een MA zijn, maar kan ook bijvoorbeeld een TA of MGB zijn waarmee zelfzorgmedicatie wordt vastgelegd, of een MTD als in een acute situatie direct een geneesmiddel moet worden toegediend. Bij het vastleggen van een nieuwe bouwsteen moet eerst worden gecontroleerd of het om een nieuw geneesmiddel gaat of dat er al een bouwsteen met hetzelfde product bestaat. Dat kan in het eigen informatiesysteem het geval zijn, maar ook in informatiesystemen elders. Een afdoende controle vereist dus het raadplegen van alle beschikbare bouwstenen (zie voor uitleg over raadplegen paragraaf 2.6 en hoofdstuk 3). Deze bouwstenen worden vervolgens gecontroleerd:
- Als er geen bestaande bouwsteen voor dit geneesmiddel is dan wordt een nieuwe MBH aangemaakt.
- Als er een bouwsteen bestaat met hetzelfde geneesmiddel dan zal het doorgaans de bedoeling zijn dat de nieuwe bouwsteen onder dezelfde MBH valt. De zorgverlener moet wel de mogelijkheid hebben om te kiezen voor het starten van een nieuwe MBH.
In figuur 2.2 is het starten van een MBH schematisch weergegeven.
Figuur 2.2 Stroomschema starten MBH
Wanneer geldt iets als ‘hetzelfde geneesmiddel’ of ‘dezelfde behandeling’?
Bij het vastleggen van een MA bepaalt de PRK (PRescriptie Kenmerken uit de G-standaard) van een geneesmiddel of deze MA bij een nieuwe of bestaande MBH hoort. Een andere PRK leidt tot een andere MBH. Uitleg over welke kenmerken op dit niveau van belang zijn is te vinden op de webpagina Ruggengraat Z-Index.
NB: Dat een wijziging in PRK tot een nieuwe MBH leidt geldt alleen voor de MA. Een verstrekker zou een middel met een andere PRK kunnen kiezen, bijvoorbeeld vanwege preferentiebeleid. De bijbehorende TA en MVE vallen dan niet onder een nieuwe MBH. De andere bouwstenen volgen de MA of TA waarnaar ze verwijzen.
Voor producten zonder PRK geldt het volgende:
- Niet-geneesmiddelen.
- Dit zijn middelen als krukken of verbandmiddelen. In die gevallen bepaalt het HPK-niveau (Handels Product Kenmerken uit de G-standaard) of het om een nieuw middel en dus een nieuwe MBH gaat.
- Geneesmiddelen. Het kan gaan om:
- Magistralen. Deze bestaan veelal uit meerdere stoffen die niet onder eenzelfde PRK vallen. Die stoffen worden afzonderlijk als ingrediënten opgenomen in de MA. Elke afzonderlijke magistraal of aanpassing* daarop valt onder een nieuwe MBH.
- Eigen artikelen zonder PRK. Dit zijn artikelen die in het interne informatiesysteem mogelijk onder een 90 miljoen nummer worden opgeslagen, bijvoorbeeld halve tabletten of veel gebruikte magistralen. Elk afzonderlijk artikel of aanpassing* daarop valt onder een nieuwe MBH.
- Middelen die in vrije tekst zijn voorgeschreven en waarvan dus geen product- of ingrediëntcode uit de G-Standaard beschikbaar is. Elke aanpassing* van het product valt onder een nieuwe MBH.
- Infusen. Voor de Kickstart is een voorlopige werkwijze uitgewerkt, zie de pagina Werkwijze infusen.
Ook bij deze producten gelden de regels alleen bij vastleggen van een MA, niet bij TA en MVE. Indien en voor zover de verstrekker mag afwijken van de in de MA beschreven medicatie, leidt dit niet tot een nieuwe MBH.
*Met ‘aanpassing’ wordt in principe bedoeld: Aanpassingen die bij middelen mét PRK tot een andere PRK zouden leiden en daarmee onder een nieuwe MBH vallen, leiden bij deze middelen ook tot aanpassing van de MBH. Deze regel is met name bedoeld om consistent te zijn. Waar dit tot implementatieproblemen leidt moet in overleg tussen gebruikers en leveranciers naar een werkbare oplossing gezocht worden.
Voorbeelden
- Diazepam 5 mg 4x daags 1 tablet wordt gewijzigd naar diazepam 5 mg 3x daags 1 tablet. De PRK blijft gelijk, beide MA’s vallen daarom onder dezelfde MBH.
- Paroxetine tablet 10 mg 1x daags 1 tablet wordt gewijzigd naar paroxetine tablet 20 mg 1x daags 1 tablet. De bijbehorende MA’s gaan over verschillende geneesmiddelen op PRK-niveau en vallen dus onder verschillende MBH’s.
- Bij een behandeling met prednison is uit voorzorg een maagbeschermer afgesproken. Deze worden weliswaar parallel aan elkaar voorgeschreven maar het zijn verschillende geneesmiddelen. Ze vallen dus niet onder dezelfde MBH en kunnen apart van elkaar gewijzigd en gestopt worden.
- Het wisselen van bètablokker naar een ACE-remmer betekent een wijziging van PRK. De bijbehorende MA's vallen onder verschillende MBH's.
2.4.2.1 Parallelle medicamenteuze behandelingen voor dezelfde medicatie
Hierboven is beschreven dat bij het vastleggen van een nieuwe bouwsteen gecontroleerd moet worden of er al een MBH voor deze medicatie bestaat. Er kunnen echter toch situaties voorkomen dat er parallelle MBH’s bestaan voor dezelfde medicatie. Voorbeelden zijn:
- Patiënt heeft geen toestemming gegeven voor het beschikbaar stellen van diens medicatiegegevens.
- Bij migratie en in de hybride situatie kunnen bouwstenen voor dezelfde behandeling in verschillende informatiesystemen zijn vastgelegd onder verschillende MBH’s.
- Spoedsituaties waarbij de MA wordt vastgelegd na het toedienen van medicatie, in de MBH die door de MTD is geopend. Als voor die medicatie al een MA bestond zijn er nu 2 MBH’s met bouwstenen voor die medicatie.
Samenvoegen van bij elkaar horende bouwstenen die onder verschillende MBH’s zijn vastgelegd is beschreven in de Implementatiehandleiding Migratie en hybride V2.0.
2.4.3 Stoppen en wijzigen van medicatie binnen een medicamenteuze behandeling
Een eenmaal ingevulde en uitgewisselde bouwsteen verandert niet. Als aanpassingen nodig zijn worden deze als volgt gemaakt:
Stoppen
- Het stoppen van een afspraak (MA, TA) gebeurt door binnen dezelfde MBH een stop-bouwsteen vast te leggen. Dit is een nieuwe MA of TA met stoptype ‘stopgezet’.
- Het stoppen van een afspraak (MA, TA) met
startDatumTijdin de toekomst, met als doel dat de medicatie helemaal niet gebruikt gaat worden, heet annuleren. Dit gebeurt door binnen dezelfde MBH een annuleer-bouwsteen vast te leggen. Dit is een nieuwe MA of TA met stoptype 'geannuleerd'. Hiermee wordt duidelijk dat de medicatie nooit gestart is, terwijl dit bij stoppen wel het geval is. - Definitief stoppen van een WDS moet door een stop-MA gebeuren.
Wijzigen
- Het wijzigen van een afspraak (MA, TA, WDS) gebeurt door binnen dezelfde MBH:
- een nieuwe afspraak met de gewijzigde informatie vast te leggen, én
- de bestaande afspraak te stoppen met een stop-bouwsteen met stoptype ‘stopgezet’.
- een nieuwe afspraak met de gewijzigde informatie vast te leggen, én
Het data-element stoptype wordt uitsluitend in stop-bouwstenen ingevuld, dus alleen bij stoppen (inclusief annuleren) of wijzigen. Deze werkwijze met stop-bouwstenen geldt alleen voor de afspraakbouwstenen MA, TA en WDS. Bij de overige bouwstenen is dit niet aan de orde. MGB kent weliswaar ook een stoptype, maar dat heeft daarin een andere functie. Hiermee wordt de periode aangegeven waarin de patiënt de medicatie niet gebruikt heeft, zie paragraaf 5.5.2. In hoofdstuk 5 wordt per deelproces het vastleggen van (stop-)bouwstenen verder uitgewerkt.
2.4.3.1 Gewone en 'technische' stop-bouwstenen
Bij het definitief stoppen van een bouwsteen zal de zorgverlener dit actief doen door de benodigde gegevens in de stop-bouwsteen in te vullen. Behalve gewone stop-bouwstenen bestaan er ook ‘technische’ stop-bouwstenen. Deze zijn van toepassing als medicatie wordt gewijzigd. Naast het vastleggen van een nieuwe bouwsteen met de gewijzigde informatie moet ook de oorspronkelijke bouwsteen worden gestopt. De zorgverlener hoeft in dit geval niet zelf een stop-bouwsteen vast te leggen, het systeem maakt onderliggend de stop-bouwsteen aan. Dergelijke stop-bouwstenen bij wijzigingen worden in dit FO technische stops genoemd, bijvoorbeeld 'technische stop-MA'. De te wijzigen bouwsteen wordt gestopt vanaf de startDatumTijd van de nieuwe bouwsteen. In de praktijk kan de eindDatumTijd van de technische stop-bouwsteen iets eerder liggen (bijvoorbeeld 1 seconde), zodat informatiesystemen dit beter kunnen verwerken.
2.4.4 Regels voor parallelle bouwstenen in een medicamenteuze behandeling
Binnen een MBH kunnen meerdere bouwstenen van hetzelfde type gelijktijdig actueel zijn, bijvoorbeeld een huidige en een toekomstige MA. In principe zijn er echter binnen één MBH geen parallelle bouwstenen toegestaan. Parallelle bouwstenen zijn bouwstenen die:
- van hetzelfde type zijn én
- beide geldig zijn én
- een (deels) overlappende
Gebruiksperiodehebben.
In paragraaf 4.4 worden de begrippen actueel en geldig nader uitgelegd.
In enkele gevallen zijn parallelle bouwstenen binnen een MBH wel toegestaan. Dit is in onderstaande regels per type bouwsteen uitgewerkt.
- Parallelle MA’s zijn niet toegestaan binnen dezelfde MBH. Ook complexe op- en afbouwschema’s moeten in 1 MA vastgelegd worden.
- Parallelle WDS’en zijn niet toegestaan binnen dezelfde MBH.
- Parallelle TA’s zijn wel toegestaan binnen dezelfde MBH. Dit kan noodzakelijk zijn om de medicatieafspraak volledig uit te voeren.
- Parallelle MGB’s zijn toegestaan binnen dezelfde MBH, maar alleen bij parallelle TA’s. Dit maakt correcte medicatieverificatie mogelijk, zodat bijvoorbeeld het medicatiegebruik behorend bij de ene TA als ‘conform afspraak’ kan worden beoordeeld, terwijl het medicatiegebruik behorend bij een andere TA in dezelfde MBH als afwijkend wordt geregistreerd. In alle andere gevallen zijn parallelle MGB’s niet toegestaan.
In bepaalde situaties kan het gebeuren dat er parallelle MA’s (dreigen te) ontstaan. Voorbeeld:
- Bij het vastleggen van een nieuwe MA is niet gemerkt dat er al een MBH bestaat voor deze medicatie. Als op enig moment blijkt dat er sprake is van parallelle MA’s moet een van beide gestopt worden.
2.5 Samenhang medicamenteuze behandeling en medicatiebouwstenen
Binnen een MBH kunnen verschillende bouwstenen bestaan. Hieronder wordt de samenhang tussen de bouwstenen binnen een MBH uitgelegd met hun onderlinge getalsmatige verhoudingen, dus hoe vaak binnen één MBH een bouwsteen ten opzichte van een andere bouwsteen kan voorkomen. Het gaat hierbij om instantiaties van de bouwstenen.
2.5.1 Samenhang MBH en bouwstenen
Voor de verhoudingen tussen een MBH en de bouwstenen geldt het volgende (uitgaande van de MBH):
| Medicamenteuze behandeling → andere bouwstenen | |
|---|---|
| Een MBH heeft in principe minimaal één MA. | Er zijn uitzonderingen mogelijk; enkele voorbeelden zijn: • Er is zelfzorgmedicatie vastgelegd met bouwsteen MGB. • Er is in een acute situatie direct medicatie toegediend en een MTD vastgelegd. • Er is afgesproken dat de verstrekker bij een NSAID of prednison altijd maagbescherming mag verstrekken. In dergelijke gevallen is er sprake van een MBH zonder MA. |
| Er kunnen 0 tot meer MA’s actueel zijn binnen een MBH: 0 of 1 huidige en 0 of meer toekomstige. Zie paragraaf 4.4.1 voor uitleg over de begrippen actueel, huidig en toekomstig. | |
| Een MBH kan 0 of meer van de bouwstenen VV, WDS, TA, MVE, MGB en MTD hebben. In een MBH zit altijd minimaal 1 bouwsteen. | |
2.5.2 Samenhang bouwstenen onderling
Hieronder volgt uitleg over de getalsverhoudingen tussen de bouwstenen onderling, beginnend met de MA. Per bouwsteen wordt aangegeven hoeveel instantiaties van een andere bouwsteen erbij kunnen voorkomen. Waar nodig zijn uitspraken voorzien van voorbeelden.
Als het woord 'verwijzen' wordt gebruikt gaat het om een Relatie-veld zoals deze in de dataset in ART-DECOR voorkomt. Als zo’n relatie niet bestaat, maar er wel een uitspraak gedaan wordt over de onderlinge getalsverhoudingen is dit gemarkeerd met een asterisk (*).
Enkele algemene regels over verwijzen:
- Een bouwsteen kan verwijzen naar een eerder vastgelegde bouwsteen van hetzelfde type. Deze verwijzing is niet verplicht.
- Stop-bouwstenen moeten wel een verwijzing naar de te stoppen bouwsteen bevatten, mits die in de MBH aanwezig is.
- Een gewone bouwsteen verwijst nooit naar een technische stop-bouwsteen. Alleen een stop-bouwsteen kan naar een technische stop verwijzen.
| Medicatieafspraak → andere bouwstenen | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Een MA kan opgevolgd worden door een nieuwe MA. | Voorbeelden: • Wijzigen bestaande medicatie. • Stoppen bestaande medicatie. De nieuwe MA en eventuele stop-MA verwijzen dan naar de oorspronkelijke MA. | ||||||
| Bij een MA kunnen 0, 1 of meer WDS'en horen. | |||||||
| Bij een MA kunnen 0, 1 of meer VV’s horen. | Voorbeelden:
| ||||||
| Bij een MA kunnen 0, 1 of meer TA’s horen. | Voorbeelden:
| ||||||
| Een MA kan verwijzen naar een eerder vastgelegde TA. | Voorbeeld: • Er is een TA aangemaakt voor de terhandstelling van zelfzorgmedicatie. De voorschrijver besluit hier beleid van te maken en maakt een MA aan in de MBH van de TA. | ||||||
| Een MA kan verwijzen naar een eerder vastgelegde MGB. | Voorbeeld: • De patiënt heeft een MGB aangemaakt voor zelfzorgmedicatie. De voorschrijver besluit hier beleid van te maken en maakt een MA aan in de MBH van de MGB. | ||||||
| Wisselend doseerschema → andere bouwstenen | |||||||
| Een WDS verwijst naar een MA. | |||||||
| Een WDS kan naar een eerder vastgelegd WDS verwijzen. | Voorbeeld: • Wijziging van het wisselend doseerschema. | ||||||
| Verstrekkingsverzoek → andere bouwstenen | |||||||
| Een VV verwijst naar 1 of meer MA’s. | Voorbeeld: • Bij een tussentijdse doseringsverhoging kan een VV vastgelegd worden die enerzijds de voorraad voor de bestaande MA aanvult en anderzijds dient om de voorraad voor de toekomstige MA te starten. Uitzondering: | ||||||
| Bij een VV kunnen 0, 1 of meer MVE’s horen. | Voorbeelden: • Nul : De patiënt haalt de medicatie niet af. • Eén: Het betreft een kuur met antibiotica. • Meer: GDS met VV voor 3 maanden waarbij wekelijks wordt verstrekt. | ||||||
| Toedieningsafspraak → andere bouwstenen | |||||||
| Een TA kan opgevolgd worden door een nieuwe TA. | Voorbeelden: • Wijziging van de bestaande MA. • Verstrekking middel met andere PRK of HPK vanwege preferentiebeleid of voorraadtekort. • Wijziging in toedientijden of distributievorm. | ||||||
| Er kunnen meerdere (eventueel parallelle) TA’s verwijzen naar dezelfde MA. | Voorbeelden: • Verstrekking geneesmiddel in de vorm van twee of meer middelen met verschillende sterkte die samen de gewenste sterkte opleveren (parallelle TA’s). • Verstrekking geneesmiddel met andere PRK of HPK, bijvoorbeeld vanwege preferentiebeleid of voorraadtekort (seriële TA’s). • Verstrekking geneesmiddel in GDS én in los doosje als 'zo nodig' medicatie. Het betreft verschillende distributievormen dus hiervoor zijn 2 TA’s nodig (parallelle TA’s). | ||||||
| Een TA kan bestaan zonder verwijzing naar een MA. | Voorbeeld: • De verstrekker stelt zelfzorgmedicatie ter hand en maakt een TA aan in een nieuwe MBH. | ||||||
| (*) Bij een TA kunnen 0, 1 of meer MVE’s horen. | Voorbeelden: • Nul : De patiënt heeft voldoende voorraad. • Eén: Het betreft een kuur met antibiotica. • Meer: Elke 2 weken een herhalende verstrekking. | ||||||
| Medicatieverstrekking → andere bouwstenen | |||||||
| Een MVE is in de ambulante situatie gebaseerd op een VV. In dat geval verwijst de MVE naar dat VV. | Uitzonderingen: • Zelfzorgmedicatie verkregen bij de verstrekker. • MVE op basis van een papieren recept. Papieren recepten zijn in principe niet meer toegestaan maar er zijn uitzonderingsgevallen mogelijk, zie praktijkvoorbeeld Papieren recept. | ||||||
| (*) Een MVE is gebaseerd op een MA. | Uitzondering: • Zelfzorgmedicatie verkregen bij de verstrekker. De verstrekker kan hierbij ook een TA aanmaken, maar dat hoeft niet. | ||||||
| (*) Een MVE is gebaseerd op een TA. | Uitzondering: • Zelfzorgmedicatie verkregen bij de verstrekker. De verstrekker kan hierbij ook een TA aanmaken, maar dat hoeft niet. | ||||||
| (*) Een MVE kan bij meerdere TA’s horen. | Voorbeeld: • Er is een nieuwe TA aangemaakt waar geen MVE voor nodig was, omdat de patiënt voldoende voorraad had. De eerdere MVE hoort dan bij zowel de oude als de nieuwe TA. | ||||||
| Medicatiegebruik → andere bouwstenen | |||||||
| Een MGB kan naar 0 of 1 MA verwijzen. | Voorbeelden: • Nul : Een patiënt legt zelfzorgmedicatie vast met MGB. • Eén: Een patiënt legt diens gebruik van een geneesmiddel over de afgelopen weken vast met MGB, met verwijzing naar de betreffende MA. | ||||||
| Meerdere MGB’s kunnen verwijzen naar dezelfde MA. | Voorbeeld: • Een patiënt houdt regelmatig zijn medicatiegebruik bij door het vastleggen van MGB’s bij dezelfde MA. | ||||||
| Een MGB kan naar 0 of 1 TA verwijzen. | Voorbeeld: • Nul: Een patiënt legt door de apotheek verstrekte zelfzorgmedicatie vast met MGB. | ||||||
| Meerdere MGB’s kunnen verwijzen naar dezelfde TA. | Voorbeeld: • Een patiënt houdt regelmatig zijn medicatiegebruik bij door het vastleggen van MGB’s bij dezelfde TA. | ||||||
| Een MGB kan maar naar één andere bouwsteen, MA óf TA, verwijzen. Als naar beide verwezen wordt en er zou een verschil zijn tussen TA en MA, dan is niet af te leiden wat “conform afspraak” inhoudt. | |||||||
| Medicatietoediening → andere bouwstenen | |||||||
| Een MTD verwijst naar 0 of 1 MA en/of TA en/of WDS, afhankelijk van de situatie. | Voorbeelden: • In ad-hocsituaties waarin meteen medicatie moet worden toegediend heeft de MTD geen verwijzing. • In ambulante situaties zal doorgaans naar een TA worden verwezen, in klinische situaties eerder naar een MA. • De MTD kan naar zowel de MA als TA verwijzen, als die beide bestaan. De MA waarnaar de MTD verwijst moet dezelfde zijn als die waar de TA naar verwijst. • Als er sprake is van een WDS, dan zal de MTD naar zowel WDS als MA verwijzen. De MA waarnaar de MTD verwijst moet dezelfde zijn als die waar het WDS naar verwijst. | ||||||
De voorstelgegevens bevatten voorstellen waarvan nog niet zeker is of deze leiden tot nieuwe MA’s of VV’s. Voorstelgegevens leiden wel altijd tot antwoorden met daarin het besluit op die voorstellen. De onderlinge getalsverhoudingen bij deze voorstelgegevens zijn als volgt:
- Een VMA kan leiden tot 0 (als het voorstel niet geaccordeerd wordt), 1 of meer MA’s.
- Een VMA leidt tot 1 AVMA (onafhankelijk van het besluit op het VMA).
- Een VVV kan leiden tot 0 (als het voorstel niet geaccordeerd wordt), 1 of meer VV’s.
- Een VVV leidt tot 1 AVVV (onafhankelijk van het besluit op het VVV) .
2.5.3 Samenhang MBH en bouwstenen grafisch weergegeven
De uitspraken in paragraaf 2.5.1 en 2.5.2 resulteren in de volgende figuren:
![]()
Figuur 2.3 Samenhang MBH en bouwstenen
Deze figuur laat zien hoeveel instantiaties van therapeutische en logistieke bouwstenen er binnen één MBH kunnen voorkomen. Een patiënt kan 0 of meer medicamenteuze behandelingen hebben.
![]()
Figuur 2.4 Samenhang bouwstenen binnen een MBH met onderlinge verwijzingen
Deze figuur toont de onderlinge getalsverhoudingen tussen instantiaties van de bouwstenen binnen één MBH. De pijlen geven aan dat een bouwsteen naar een andere bouwsteen kan verwijzen. In geval van dubbelzijdige pijlen kunnen beide bouwstenen naar elkaar verwijzen. De volgende notatie wordt gebruikt:
- 0..1 – 0 of 1 keer
- 0..* – 0, 1 of meer keren
- 1..* – minimaal 1 keer
- 1..1 – precies 1 keer
De getallen die bij een bouwsteen vermeld staan laten zien hoe vaak deze bouwsteen kan voorkomen binnen één MBH (figuur 2.3), of bij één instantiatie van de bouwsteen aan de andere kant, binnen dezelfde MBH (figuur 2.4). Voorbeeld:
![]()
Figuur 2.5 Uitleg notatie getallen in afbeeldingen over samenhang MBH en bouwstenen
- Bij 1 instantiatie van bouwsteen X kan 0 of 1 instantiatie van bouwsteen Y horen.
- Bij 1 instantiatie van bouwsteen Y kunnen 0, 1 of meerdere instantiaties van bouwsteen X horen.
NB: De kardinaliteiten binnen transacties worden in ART-DECORbeschreven, zie ook hoofdstuk 3.
2.6 Sturen en/of beschikbaar stellen
De medicatiegegevens van een patiënt kunnen in verschillende informatiesystemen vastgelegd zijn. Het doel van Medicatieproces MP9 is om deze gegevens toegankelijk te maken voor alle betrokken zorgverleners en de patiënt zelf. Er zijn twee werkwijzen voor het uitwisselen van medicatiebouwstenen in de zorgketen, sturen en beschikbaar stellen.
Sturen
Gegevens worden naar andere betrokkenen gestuurd, die deze gegevens automatisch ontvangen. Gegevens worden niet naar specifieke zorgverleners verstuurd, maar naar zorgaanbieders. Als in het FO gesproken wordt over versturen naar "de verstrekker/huisarts/longarts etc." dan gaat het over de betreffende zorgaanbieders, niet die individuele zorgverlener. In MP9 verloopt dit met een Sturen-transactie, bijvoorbeeld Sturen medicatiegegevens. Hierbij ligt het initiatief bij de sturende partij.
Beschikbaar stellen
Medicatiegegevens kunnen na vastleggen ook beschikbaar gesteld worden. Dat wil zeggen dat ze beschikbaar gemaakt worden voor raadplegen. Met raadplegen kunnen andere betrokkenen in de keten alle beschikbare medicatiebouwstenen verzamelen. Niet alle gegevens worden altijd of aan iedereen beschikbaar gesteld:
- Voorstelgegevens worden alleen verstuurd, door degene die het voorstel doet naar de ontvanger van het voorstel, de voorschrijver.
- Verstrekkingsverzoeken worden alleen beschikbaar gesteld voor raadpleging door de patiënt.
- Een informatiesysteem stelt alleen bouwstenen beschikbaar waar de betreffende zorgverlener zelf de auteur van is. Eventueel aanwezige kopieën afkomstig uit een andere bron worden niet beschikbaar gesteld.
- De bouwstenen Lengte en Gewicht kunnen met het medicatievoorschrift verstuurd worden. Ook LaboratoriumUitslag kan meegestuurd worden. Raadplegen/beschikbaar stellen van deze bouwstenen is niet in scope van MP9.
De daadwerkelijke uitwisseling van gegevens verloopt in MP9 met de transacties Raadplegen en Beschikbaar stellen, bijvoorbeeld Raadplegen medicatiegegevens en Beschikbaar stellen medicatiegegevens. Hierbij ligt het initiatief bij de raadplegende partij. LET OP: In deze transacties is “beschikbaar stellen” een antwoord op het raadplegen, dus het daadwerkelijk opleveren van de gevraagde gegevens aan de raadpleger. Zie hoofdstuk 3 voor verdere uitleg over deze transacties.
3 Informatieoverdracht
Dit hoofdstuk moet nog geautoriseerd worden. Onderstaande versie komt overeen met 20251218 Hoofdstuk 3 Informatieoverdracht v091 concept.docx
Dit hoofdstuk biedt een overzicht van de informatiesystemen, systeemrollen, transacties en de daarbij betrokken bouwstenen in MP9. Het beschrijft kort hoe deze begrippen zich tot elkaar verhouden en hoe deze gebruikt worden in de beschrijving van deze informatiestandaard. Doel van dit hoofdstuk is om de basisprincipes van informatieoverdracht met MP9 inzichtelijk te maken. Voor gedetailleerde informatie verwijzen we naar de brongegevens in ART-DECOR.
3.1 Overzicht begrippen
Vastgelegde medicatiegegevens worden in de vorm van instantiaties van medicatiebouwstenen uitgewisseld. Dit gebeurt via transacties tussen de informatiesystemen van zorgverleners. Transacties worden gegroepeerd in transactiegroepen die zelf weer deel uitmaken van scenario’s. Deze zijn te vinden in het tabblad Scenario’s in ART-DECOR. Daarin staat ook een overzicht van de transacties per systeemrol (actor: systeem). Een systeemrol is een functie die het systeem vervult in de uitwisseling van gegevens. Elk informatiesysteem in MP9 moet bepaalde systeemrollen kunnen vervullen om de bijbehorende transactie uit te kunnen voeren.
In het tabblad Dataset in ART-DECOR is de generieke dataset te vinden met alle voor MP9 relevante gegevenstypen. Een transactiedataset is een subset van deze generieke dataset. Het bevat de bouwstenen en data-elementen die in de betreffende transactie uitgewisseld kunnen of moeten worden. De kardinaliteit en conformiteit van de data-elementen worden per transactie gespecificeerd. Zie voor uitleg hierover de Handleiding Kardinaliteiten en conformance. Een usecase beschrijft een praktijksituatie in de zorg waarvoor de informatie-uitwisseling wordt gespecificeerd aan de hand van:
- Actoren: Personen en informatiesystemen die bij de usecase betrokken zijn. Het gaat daarbij om de rollen die deze actoren vervullen:
- Bedrijfsrollen: voorschrijver, verstrekker, toediener, patiënt.
- Systeemrollen: sturend, ontvangend, raadplegend en beschikbaarstellend systeem.
- Transacties: Welke informatie wordt uitgewisseld, wanneer, tussen welke systemen en systeemrollen, en welke bedrijfsrollen zijn erbij betrokken.
In het rapport Informatiestandaarden; basis voor gegevensuitwisseling in de zorg staat nadere uitleg en achtergrondinformatie over deze begrippen en hun onderlinge relatie.
3.2 Informatiesystemen, systeemrollen en transacties
Deze paragraaf beschrijft de informatiesystemen, systeemrollen, transacties en daarbij betrokken bouwstenen binnen MP9.
3.2.1 Typen informatiesystemen
Binnen MP9 worden verschillende typen informatiesystemen onderscheiden op basis van hun functionele rol:
- EVS – elektronisch voorschrijfsysteem
- AIS – apotheekinformatiesysteem
- PGO – persoonlijke gezondheidsomgeving
- eTDR – elektronisch toedienregistratiesysteem
- TrIS – trombose informatiesysteem
XIS is de generieke term om een informatiesysteem mee aan te duiden.
3.2.2 Systeemrollen en bijbehorende transacties en bouwstenen
Een systeemrol is een functie die het systeem vervult in de uitwisseling van gegevens. Het gaat om de volgende algemene functies:
- Sturend systeem – stuurt gegevens naar een Ontvangend systeem
- Ontvangend systeem – ontvangt gegevens van een Sturend systeem
- Raadplegend systeem – vraagt gegevens op bij een Beschikbaarstellend systeem
- Beschikbaarstellend systeem – stuurt de gevraagde gegevens naar een Raadplegend systeem
Een informatiesysteem kan een of meer van deze systeemrollen vervullen. In de tabel hieronder staat een overzicht van de systeemrollen binnen MP9 met hun afkorting, de bijbehorende transactie en de bouwstenen die daarbij betrokken kunnen zijn. In ART-DECOR is voor elke transactie te vinden hoe de betrokken bouwstenen daarin worden ingevuld.
| Systeemrol | Afkorting | Transactie | Mogelijk betrokken bouwstenen |
|---|---|---|---|
| Scenario Medicatievoorschrift | |||
| VoorschriftSturend | MP-VOS | Sturen medicatievoorschrift | MA met of zonder VV; eventueel Lengte, Gewicht Eventueel meesturen van de nierfunctiewaarde met het voorschrift verloopt via de transactie Lab2Zorg. Zie Leeswijzer meesturen nierfunctiewaarde met voorschrift. |
| VoorschriftOntvangend | MP-VOO | Ontvangstbevestiging medicatievoorschrift | |
| Scenario Afhandelen medicatievoorschrift | |||
| VoorschriftAfhandelingSturend | MP-VAS | Sturen afhandeling medicatievoorschrift | TA met of zonder MVE |
| VoorschriftAfhandelingOntvangend | MP-VAO | Ontvangstbevestiging afhandeling medicatievoorschrift | |
| Scenario Medicatiegegevens | |||
| MedicatieGegevensSturend | MP-MGS | Sturen medicatiegegevens | Eén of meer: MA, VV, TA, MVE, MTD, MGB, WDS |
| MedicatieGegevensOntvangend | MP-MGO | Ontvangstbevestiging medicatiegegevens | |
| MedicatieGegevensBeschikbaarstellend | MP-MGB | Beschikbaar stellen medicatiegegevens | |
| MedicatieGegevensRaadplegend | MP-MGR | Raadplegen medicatiegegevens | |
| Scenario Voorstelgegevens | |||
| VoorstelMedicatieafspraakSturend | MP-VMS | Sturen voorstel medicatieafspraak | VMA met of zonder Lengte, Gewicht |
| VoorstelMedicatieafspraakOntvangend | MP-VMO | Ontvangstbevestiging voorstel medicatieafspraak | |
| AntwoordVoorstelMedicatieafspraakSturend | MP-AVMS | Sturen antwoord voorstel medicatieafspraak | AVMA |
| AntwoordVoorstelMedicatieafspraakOntvangend | MP-AVMO | Ontvangstbevestiging antwoord voorstel medicatieafspraak | |
| VoorstelVerstrekkingsverzoekSturend | MP-VVS | Sturen voorstel verstrekkingsverzoek | VVV |
| VoorstelVerstrekkingsverzoekOntvangend | MP-VVO | Ontvangstbevestiging voorstel verstrekkingsverzoek | |
| AntwoordVoorstelVerstrekkingsverzoekSturend | MP-AVVS | Sturen antwoord voorstel verstrekkingsverzoek | AVVV |
| AntwoordVoorstelVerstrekkingsverzoekOntvangend | MP-AVVO | Ontvangstbevestiging antwoord voorstel verstrekkingsverzoek | |
Bepaalde systeemrollen zijn elkaars logische tegenhangers en komen dus altijd samen in een systeem voor. Bijvoorbeeld het sturen van een voorschrift en het ontvangen van de afhandeling van het voorschrift. Het gaat om de volgende Sturen/Ontvangen-paren:
- MP-VOS en MP-VAO
- MP-VOO en MP-VAS
- MP-VMS en MP-AVMO
- MP-VMO en MP-AVMS
- MP-VVS en MP-AVVO
- MP-VVO en MP-AVVS
3.2.3 Informatiesystemen en systeemrollen
Een informatiesysteem kan verschillende systeemrollen vervullen. Onderstaande tabel laat voor elk informatiesysteem zien welke dit zijn.
| systeemrol | EVS | AIS | PGO | eTDR | TrIS |
|---|---|---|---|---|---|
| MP-VOS | √ | - | - | - | √ |
| MP-VOO | - | √ | - | - | - |
| MP-VAS | - | √ | - | - | - |
| MP-VAO | √ | - | - | - | √ |
| MP-MGS | √ | √ | √ | √ | √ |
| MP-MGO | √ | √ | √ | √ | √ |
| MP-MGB | √ | √ | √ | √ | √ |
| MP-MGR | √ | √ | √ | √ | √ |
| MP-VMS | √ | √ | √ | √ | √ |
| MP-VMO | √ | - | - | - | - |
| MP-AVMS | √ | - | - | - | - |
| MP-AVMO | √ | √ | √ | √ | √ |
| MP-VVS | √ | √ | √ | √ | √ |
| MP-VVO | √ | - | - | - | - |
| MP-AVVS | √ | - | - | - | - |
| MP-AVVO | √ | √ | √ | √ | √ |
Figuur 3.1 is een grafische weergave hiervan:
![]()
Figuur 3.1 Informatiesystemen en systeemrollen
3.3 Scenario's
Deze paragraaf geeft een beschrijving van de volgende scenario's:
- Medicatievoorschrift
- Afhandelen Medicatievoorschrift
- Medicatiegegevens
- Voorstelgegevens
Bij elk scenario wordt aangegeven in welke deelprocessen dit voor kan komen. De bijbehorende procesbeschrijvingen staan in Hoofdstuk 5 Medicatieproces. Er is gekozen voor een onderverdeling per scenario en niet per usecase. Dit is gedaan omdat binnen het medicatieproces geen 1-op-1 relatie tussen usecase en scenario bestaat. Het deelproces Voorschrijven kent bijvoorbeeld de usecase versturen medicatievoorschrift, maar ook de usecases ontvangen afhandeling voorschrift, het ontvangen en beantwoorden van een voorstel van een verstrekker of het opstellen van een overzicht van medicatiegegevens. Alle scenario’s komen hierbij aan de orde. Omgekeerd kan het scenario Medicatiegegevens voor allerlei verschillende usecases gebruikt worden. Een beschrijving per scenario is daarom het meest efficiënt.
3.3.1 Scenario Medicatievoorschrift
3.3.1.1 Doel en relevantie
Doel is het versturen van een medicatievoorschrift door de voorschrijver naar de verstrekker.
3.3.1.2 Proces
Dit scenario is van toepassing in de usecase voorschrijven van medicatie tijdens het deelproces Voorschrijven.
3.3.1.3 Bedrijfsrollen en activiteitendiagram
| Bedrijfsrol (actor) | Beschrijving bedrijfsrol |
|---|---|
| Voorschrijver | Sturen medicatievoorschrift naar verstrekker |
| Verstrekker | Ontvangen medicatievoorschrift van voorschrijver |
3.3.1.4 Systemen en systeemrollen
De voorschrijver maakt gebruik van een EVS. De verstrekker maakt gebruik van een AIS.
| Systeem | Naam systeemrol | Systeemrolcode | Beschrijving systeemrol |
|---|---|---|---|
| EVS | VoorschriftSturend | MP-VOS | Sturen medicatievoorschrift naar verstrekker |
| AIS | VoorschriftOntvangend | MP-VOO | Ontvangen medicatievoorschrift van voorschrijver |
3.3.1.5 Samenhang bedrijfsrollen, systeemrollen en transacties
| Scenario | Bedrijfsrol | Systeem | Systeemrolcode | Transactiegroep | Transactie |
|---|---|---|---|---|---|
| Medicatievoorschrift | Voorschrijver | EVS | MP-VOS | MedicatieVoorschrift (Sturen/Ontvangen) | Sturen medicatievoorschrift |
| Verstrekker | AIS | MP-VOO | Ontvangstbevestiging medicatievoorschrift |
3.3.2 Scenario Afhandelen medicatievoorschrift
3.3.2.1 Doel en relevantie
Doel is het informeren van de voorschrijver door de verstrekker over het afhandelen van een medicatievoorschrift.
3.3.2.2 Proces
Dit scenario is van toepassing in de usecase afhandelen medicatievoorschrift tijdens het deelproces Ter hand stellen.
3.3.2.3 Bedrijfsrollen en activiteitendiagram
| Bedrijfsrol (actor) | Beschrijving bedrijfsrol |
|---|---|
| Verstrekker | Sturen afhandeling medicatievoorschrift naar voorschrijver |
| Voorschrijver | Ontvangen afhandeling medicatievoorschrift van verstrekker |
3.3.2.4 Systemen en systeemrollen
De verstrekker maakt gebruik van een AIS. De voorschrijver maakt gebruik van een EVS.
| Systeem | Naam systeemrol | Systeemrolcode | Beschrijving systeemrol |
|---|---|---|---|
| AIS | VoorschriftAfhandelingSturend | MP-VAS | Sturen afhandeling medicatievoorschrift naar voorschrijver |
| EVS | VoorschriftAfhandelingOntvangend | MP-VAO | Ontvangen afhandeling medicatievoorschrift van verstrekker |
3.3.2.5 Samenhang bedrijfsrollen, systeemrollen en transacties
| Scenario | Bedrijfsrol | Systeem | Systeemrolcode | Transactiegroep | Transactie |
|---|---|---|---|---|---|
| Afhandelen medicatievoorschrift | Verstrekker | AIS | MP-VAS | Medicatievoorschrift afhandeling (Sturen/Ontvangen) | Sturen afhandeling medicatievoorschrift |
| Voorschrijver | EVS | MP-VAO | Ontvangstbevestiging afhandeling medicatievoorschrift |
3.3.3 Scenario Medicatiegegevens
3.3.3.1 Doel en relevantie
Doel is het versturen, ontvangen, raadplegen en beschikbaar stellen van medicatiegegevens door zorgverleners en patiënt. Voorbeelden van usecases zijn:
- Beschikbaar stellen van een MGB die tijdens het proces van medicatieverificatie is vastgelegd;
- Raadplegen van medicatiegegevens ten behoeve van het opstellen van een toedienlijst;
- Sturen van een stop-MA door een voorschrijver naar de voorschrijver van de oorspronkelijke MA;
- Beschikbaar stellen van een TA en MVE door de verstrekker;
- Raadplegen van medicatiegegevens door een patiënt.
3.3.3.2 Proces
Dit scenario komt in diverse usecases tijdens elk van de deelprocessen in hoofdstuk 5 aan de orde.
3.3.3.3 Bedrijfsrollen en activiteitendiagram
Het scenario Medicatiegegevens kan bij alle bedrijfsrollen (zorgverleners en patiënt) van toepassing zijn.
| Bedrijfsrol (actor) | Beschrijving bedrijfsrol |
|---|---|
| Alle actoren | Sturen medicatiegegevens aan medebehandelaar/patiënt |
| Ontvangen medicatiegegevens van medebehandelaar/patiënt | |
| Raadplegen medicatiegegevens bij medebehandelaars/patiënt | |
| Opleveren gevraagde medicatiegegevens aan medebehandelaars/patiënt |
3.3.3.4 Systemen en systeemrollen
De generieke term XIS kan voor elk informatiesysteem staan, naast EVS en AIS bijvoorbeeld ook PGO, TrIS en eTDR.
| Systeem | Naam systeemrol | Systeemrolcode | Omschrijving |
|---|---|---|---|
| XIS | MedicatieGegevensSturend | MP-MGS | Sturen medicatiegegevens |
| MedicatieGegevensOntvangend | MP-MGO | Ontvangen medicatiegegevens | |
| MedicatieGegevensRaadplegend | MP-MGR | Raadplegen medicatiegegevens | |
| MedicatieGegevensBeschikbaarstellend | MP-MGB | Opleveren gevraagde medicatiegegevens |
3.3.3.5 Samenhang bedrijfsrollen, systeemrollen en transacties
| Scenario | Bedrijfsrol | Systeem | Systeemrolcode | Transactiegroep | Transactie |
|---|---|---|---|---|---|
| Medicatiegegevens | Alle actoren | XIS | MP-MGS | Medicatiegegevens (Sturen/Ontvangen) | Sturen medicatiegegevens |
| MP-MGO | Ontvangstbevestiging medicatiegegevens | ||||
| MP-MGR | Medicatiegegevens (Raadplegen/Beschikbaar stellen) | Raadplegen medicatiegegevens | |||
| MP-MGB | Opleveren gevraagde medicatiegegevens |
3.3.4 Scenario Voorstelgegevens
3.3.4.1 Doel en relevantie
Doel is het doen van een voorstel met betrekking tot een MA of VV aan de voorschrijver. Alle actoren kunnen zo’n voorstel doen.
3.3.4.2 Proces
Dit scenario is van toepassing in usecases tijdens alle deelprocessen.
3.3.4.3 Bedrijfsrollen en activiteitendiagram
Het scenario Voorstelgegevens kan bij alle bedrijfsrollen (zorgverleners en patiënt) van toepassing zijn.
| Bedrijfsrol (actor) | Beschrijving bedrijfsrol |
|---|---|
| Alle actoren | Sturen voorstel MA/VV naar voorschrijver |
| Ontvangen antwoord voorstel MA/VV van voorschrijver | |
| Voorschrijver | Ontvangen voorstel MA/VV van andere actor |
| Sturen antwoord voorstel MA/VV naar voorsteller |
3.3.4.4 Systemen en systeemrollen
De voorschrijver maakt gebruik van een EVS. Alle actoren maken gebruik van een XIS.
| Systeem | Naam systeemrol | Systeemrolcode | Omschrijving |
|---|---|---|---|
| XIS | VoorstelMedicatieafspraakSturend | MP-VMS | Sturen voorstel medicatieafspraak |
| AntwoordVoorstelMedicatieafspraakOntvangend | MP-AVMO | Ontvangen antwoord voorstel medicatieafspraak | |
| VoorstelVerstrekkingsverzoekSturend | MP-VVS | Sturen voorstel verstrekkingsverzoek | |
| AntwoordVoorstelVerstrekkingsverzoekOntvangend | MP-AVVO | Ontvangen antwoord voorstel verstrekkingsverzoek | |
| EVS | VoorstelMedicatieafspraakOntvangend | MP-VMO | Ontvangen voorstel medicatieafspraak |
| AntwoordVoorstelMedicatieafspraakSturend | MP-AVMS | Sturen antwoord voorstel medicatieafspraak | |
| VoorstelVerstrekkingsverzoekOntvangend | MP-VVO | Ontvangen voorstel verstrekkingsverzoek | |
| AntwoordVoorstelVerstrekkingsverzoekSturend | MP-AVVS | Sturen antwoord voorstel verstrekkingsverzoek |
3.3.4.5 Samenhang bedrijfsrollen, systeemrollen en transacties
| Scenario | Bedrijfsrol | Systeem | Systeemrolcode | Transactiegroep | Transactie |
|---|---|---|---|---|---|
| Voorstelgegevens | Alle actoren | XIS | MP-VMS | Voorstel medicatieafspraak (VMS/VMO) | Sturen voorstel medicatieafspraak |
| Voorschrijver | EVS | MP-VMO | Ontvangstbevestiging voorstel medicatieafspraak | ||
| Voorstelgegevens | Alle actoren | XIS | MP-AVMO | Antwoord voorstel medicatieafspraak (AVMS/AVMO) | Ontvangstbevestiging antwoord voorstel medicatieafspraak |
| Voorschrijver | EVS | MP-AVMS | Sturen antwoord voorstel medicatieafspraak | ||
| Voorstelgegevens | Alle actoren | XIS | MP-VVS | Voorstel verstrekkingsverzoek (VVS/VVO) | Sturen voorstel verstrekkingsverzoek |
| Voorschrijver | EVS | MP-VVO | Ontvangstbevestiging voorstel verstrekkingsverzoek | ||
| Voorstelgegevens | Alle actoren | XIS | MP-AVVO | Antwoord voorstel verstrekkingsverzoek (AVVS/AVVO) | Ontvangstbevestiging antwoord voorstel medicatieafspraak |
| Voorschrijver | EVS | MP-AVVS | Sturen antwoord voorstel verstrekkingsverzoek |
4 Consolideren: wat, waarom en hoe
Dit hoofdstuk moet nog geautoriseerd worden. Onderstaande versie komt overeen met 20251218 Hoofdstuk 4 Consolideren v092 concept.docx
Consolideren gaat over het samenvoegen van gegevens, waarna er regels toegepast worden om er een samenhangend geheel van te maken. Dit hoofdstuk geeft uitleg over het wat, waarom en hoe van consolideren.
Paragraaf 4.1 legt uit wat consolideren is in de context van deze informatiestandaard.
In paragraaf 4.2 wordt het doel van consolideren uitgelegd.
Paragraaf 4.3 beschrijft het proces van consolideren.
Paragraaf 4.4 geeft uitleg over de begrippen die hierbij van belang zijn.
In paragraaf 4.5 worden de consolidatieregels beschreven.
Paragraaf 4.6 licht toe wat consolideren betekent voor overzichten van medicatiegegevens.
4.1 Wat is consolideren?
Consolideren is het samenvoegen van gegevens en het toepassen van regels op de samengevoegde set om tot een samenhangend geheel te komen. In deze informatiestandaard gaat het dan om de set bouwstenen die bij raadplegen verzameld wordt. Deze verzameling kan zeer omvangrijk zijn. Er kan sprake zijn van verschillende MBH’s die elk ook meerdere bouwstenen kunnen bevatten. Dat kan zelfs oplopen tot honderden bouwstenen. Na het raadplegen wordt met consolidatieregels bepaald hoe elke bouwsteen in de set geïnterpreteerd moet worden.
4.2 Wat is het doel van consolideren?
Het doel van consolideren is om binnen de verzameling bouwstenen tot een ‘samenhangend geheel’ te komen. Wat dat precies inhoudt hangt af van het doel van het raadplegen. Voor een toedienlijst zijn andere gegevens nodig dan wanneer een huisarts de medicatiehistorie van een nieuwe patiënt wil inzien. Het moet duidelijk zijn welke bouwstenen de gewenste gegevens opleveren. Met de consolidatieregels kan van elke bouwsteen binnen 1 MBH de status bepaald worden aan de hand van twee criteria:
- is een bouwsteen wel of niet ‘actueel’?
- is een bouwsteen wel of niet ‘geldig’?
Deze status bepaalt of een bouwsteen de juiste informatie bevat voor de beoogde toepassing. In paragraaf 4.4 worden de begrippen actueel en geldig uitgelegd.
4.3 Proces van consolideren
Bij consolideren worden de volgende stappen doorlopen:
- Verzamelen bouwstenen
- Uit alle beschikbare bronnen worden bouwstenen voor een bepaalde tijdsperiode verzameld. Dit gebeurt met de transactie Raadplegen medicatiegegevens (zie paragraaf 3.3.3 Scenario Medicatiegegevens). In sommige situaties kan het voorkomen dat een bouwsteen actueel en geldig lijkt terwijl dat eigenlijk niet meer het geval is. Daarom moet voor elke MBH ook de stop-bouwsteen met de meest recente
RegistratieDatumTijdopgeleverd worden, ook als deze bouwsteen buiten de opgevraagde tijdsperiode valt. Op die manier kan alsnog bepaald worden dat die bouwsteen gestopt is.
- Ontdubbelen identieke bouwstenen
- In principe zouden dubbele bouwstenen niet moeten voorkomen aangezien de betrokken informatiesystemen bij deze transactie alleen eigen medicatiegegevens beschikbaar mogen stellen. In enkele gevallen kan dit toch voorkomen. Het informatiesysteem moet daarom eventuele identieke bouwstenen kunnen identificeren en ontdubbelen.
- Toepassen consolidatieregels
- Met consolidatieregels worden de actualiteit en de geldigheid van elke bouwsteen in een MBH bepaald. In de volgende paragrafen wordt dit verder toegelicht.
4.4 Relevante begrippen voor de beschrijving van de consolidatieregels
In deze paragraaf worden de begrippen die gebruikt worden in de consolidatieregels toegelicht. Aan de hand van voorbeelden worden de algemene regels beschreven. Deze regels worden in paragraaf 4.5 in detail uitgewerkt.
4.4.1 Is een bouwsteen actueel?
Actueel betekent dat de effectieve eindDatumTijd van een bouwsteen, bezien vanuit het heden, in de toekomst ligt. In de volgende paragraaf wordt uitgelegd wat bedoeld wordt met het woord “effectieve” in bovenstaande zin.
4.4.1.1 Effectieve periode
De effectieve periode van een bouwsteen is de periode waarin een bouwsteen uiteindelijk actueel is (geweest). Een eenmaal vastgelegde bouwsteen verandert niet (zie paragraaf 2.4.3). Dat geldt ook voor diens Gebruiksperiode. Maar de periode waarin een bouwsteen als actueel moet worden beschouwd kan wel veranderen. Voorbeelden:
- Een patiënt krijgt een middel voor onbepaalde tijd voorgeschreven. De MA heeft
startDatumTijd= dag 1 en geeneindDatumTijd. Na 2 weken besluit de voorschrijver dat de patiënt met het middel moet stoppen vanwege bijwerkingen. De stop-MA heeft destartDatumTijdvan de oorspronkelijke MA = dag 1 eneindDatumTijd= dag 14.
- Een patiënt krijgt een middel voor onbepaalde tijd voorgeschreven. De MA heeft
- Op dag 30 lijkt de MA op zichzelf bekeken gewoon actueel, deze heeft immers geen
eindDatumTijd. De effectieveeindDatumTijdvan de MA is echter die van de stop-MA geworden. De effectieve periode van de MA is dus gelijk aan deGebruiksperiodevan de bijbehorende stop-MA.
- Op dag 30 lijkt de MA op zichzelf bekeken gewoon actueel, deze heeft immers geen
- Algemene regel: De effectieve periode van een bouwsteen verandert door een stop-bouwsteen met verwijzing naar die bouwsteen.
- Algemene regel: De effectieve periode van een bouwsteen verandert door een stop-bouwsteen met verwijzing naar die bouwsteen.
- Een patiënt krijgt een middel voor 5 dagen voorgeschreven. De MA heeft
startDatumTijd= dag 1 eneindDatumTijd= dag 5. De patiënt haalt het geneesmiddel na 3 dagen op. De TA heeft daarom eenstartDatumTijd= dag 4 en eeneindDatumTijd= dag 8.
- Een patiënt krijgt een middel voor 5 dagen voorgeschreven. De MA heeft
- Op dag 6 is de oorspronkelijke
Gebruiksperiodevan de MA voorbij. Als alleen naar die MA wordt gekeken lijkt deze dus niet meer actueel. Maar aan de TA is te zien dat de MA nog wel als actueel beschouwd moet worden. De effectieve periode van de MA is gelijk aan deGebruiksperiodevan de TA. De MA heeft een effectievestartDatumTijd= dag 4 en een effectieveeindDatumTijd= dag 8.
- Op dag 6 is de oorspronkelijke
- Algemene regel: De effectieve periode van een MA kan beïnvloed worden door een TA.
4.4.1.2 Actueel en niet-actueel
Actuele bouwstenen hebben een effectieve eindDatumTijd die ten opzichte van het heden in de toekomst ligt. Actueel zijn:
- Huidige bouwstenen, waarbij het heden tussen de effectieve
startDatumTijden de effectieveeindDatumTijdligt. - Toekomstige bouwstenen, waarvan de effectieve
startDatumTijdin de toekomst ligt.
- Huidige bouwstenen, waarbij het heden tussen de effectieve
Niet-actuele bouwstenen hebben een effectieve eindDatumTijd in het verleden. Deze bouwstenen vormen de geschiedenis van een behandeling. Hiermee kan ook het verloop van een behandeling in het verleden worden ingezien. Figuur 4.1 geeft deze begrippen grafisch weer.
Figuur 4.1 Actuele (huidige + toekomstige) en niet-actuele bouwstenen binnen een MBH
4.4.2 Is een bouwsteen geldig?
Geldig gaat over de vraag of een bouwsteen een correcte weergave van de werkelijke situatie bevat. Kan een zorgverlener handelen op basis van de informatie in die bouwsteen? Dit is afhankelijk van de context, in de vorm van mogelijke andere bouwstenen in de betreffende MBH. De informatie in een eenmaal vastgelegde bouwsteen verandert niet. Hoe die informatie begrepen moet worden kan door de vastlegging van een volgende bouwsteen binnen dezelfde MBH wél veranderen.
Voorbeeld 1
Er is een MA voor onbepaalde duur met bijbehorend VV. Mag de verstrekker op basis hiervan een verstrekking doen?
- Situatie A: Er is geen stop-bouwsteen met verwijzing naar deze MA vastgelegd.
- Het antwoord is JA. De verstrekker mag op basis hiervan een verstrekking doen.
- Situatie B: De MA is opgevolgd door een stop-MA met verwijzing naar deze MA. De MA is dus gestopt en daarmee ongeldig gemaakt: deze MA biedt geen correcte weergave van de werkelijke situatie.
- Het antwoord is NEE. De verstrekker mag het geneesmiddel niet meer verstrekken.
Voorbeeld 2
De voorschrijver wil een nieuwe patiënt een antibioticum wegens een infectie voorschrijven. Ze ziet dat twee jaar geleden ook een antibioticum is voorgeschreven. Er is een MA met een Gebruiksduur van 10 dagen voor dit middel. Kan zij hetzelfde geneesmiddel voorschrijven?
- Situatie A: De MA is niet opgevolgd door een stop-bouwsteen met verwijzing naar die MA. Deze bouwsteen biedt een correcte weergave van de werkelijke situatie in het verleden.
- Het antwoord is JA. Er is geen reden om een ander geneesmiddel te kiezen.
- Situatie B: De MA is na 1 dag gestopt door een stop-MA met als reden een heftige allergische reactie. De MA is dus ongeldig.
- Het antwoord is NEE. De voorschrijver kiest een ander middel.
- Algemene regel: Een stop-bouwsteen stopt de bouwsteen waar deze naar verwijst en maakt deze daarmee ongeldig.
Voorbeeld 3
Er zijn een MA en een TA voor een geneesmiddel dat toegediend moet worden. De TA is niet opgevolgd door een stop-TA. Mag de toediener het geneesmiddel toedienen?
- Situatie A: De bijbehorende MA is niet opgevolgd door een stop-bouwsteen. De MA en de TA zijn dus beide geldig.
- Het antwoord is JA. De toediener mag het betreffende geneesmiddel toedienen.
- Situatie B: De bijbehorende MA is gestopt door een stop-MA met onmiddelijke ingang. Die stop-MA is echter nog niet verwerkt in de apotheek waardoor er nog geen stop-TA is aangemaakt. De TA is weliswaar actueel, maar is ongeldig geworden door de stop-MA.
- Het antwoord is NEE. De toediener mag het geneesmiddel niet meer toedienen.
Voorbeeld 4
Er is een MA met in eerste instantie een Gebruiksduur van 5 dagen. De patiënt legt over dit geneesmiddel een MGB vast. Hij geeft hierin aan het middel te gebruiken conform de afspraak. Het geneesmiddel werkt goed. Na afloop van de MA besluit de voorschrijver daarom het geneesmiddel voor onbepaalde duur voor te schrijven. Er volgt een nieuwe MA zonder eindDatumTijd. De MGB wordt door de nieuwe MA ongeldig gemaakt.
Algemene regel: Sommige bouwstenen kunnen ook bouwstenen van een ander type ongeldig maken.
4.5 Consolidatieregels
4.5.1 Regels voor het afleiden van de effectieve periode van een bouwsteen
In paragraaf 4.4 zijn twee algemene regels over de actualiteit van bouwstenen binnen 1 MBH benoemd.
- Algemene regels:
- De effectieve periode van een bouwsteen verandert door een stop-bouwsteen met verwijzing naar die bouwsteen.
- De effectieve periode van een MA kan beïnvloed worden door een TA.
De effectieve periode van een bouwsteen is dus een afgeleid gegeven en daarom geen onderdeel van de dataset. Hieronder worden de afleidingsregels uitgewerkt. Het nummer bij iedere afleidingsregel staat voor de volgorde waarin de regels moeten worden uitgevoerd.
Medicatie starten
Maken medicatieafspraak
Medicatie wordt gestart door het vastleggen van een MA.
regel 1a: De effectieve periode van een MA is gelijk aan diens Gebruiksperiode.
Maken toedieningsafspraak
Een TA vult een MA concreet in.
regel 1b: De effectieve periode van een TA is gelijk aan diens Gebruiksperiode.
Als een MA een bijbehorende TA kent, geldt:
regel 2a: De effectieve periode van de MA is gelijk aan de effectieve periode van de TA.
Medicatie stoppen
Stoppen medicatieafspraak
Het definitief stoppen van medicatie gebeurt door het maken van een stop-MA met stoptype ‘gestopt’ en:
startDatumTijd=startDatumTijdvan de originele MAeindDatumTijd= datum waarop de medicatie gestopt wordt.
De effectieve periode van de originele MA is vervangen door die van de nieuwe stop-MA.
regel 1c: Wanneer een MA definitief gestopt wordt dan is de effectieve periode van de MA de effectieve periode van de stop-MA.
Stoppen toedieningsafspraak
Situatie a) De TA wordt gestopt bij gelijkblijvende MA.
De effectieve periode van de originele TA wordt vervangen door de effectieve periode van de stop-TA. Deze laatste is volgens regel 1b gelijk aan diens Gebruiksperiode.
Situatie b) De TA wordt gestopt als gevolg van een stop-MA.
De stop-TA vult de stop-MA concreet in. Het is mogelijk dat de eindDatumTijd van de stop-TA later is dan die van de MA, bijvoorbeeld omdat in de MA is aangegeven dat het stoppen in kan gaan met de volgende GDS-rol. In zo’n geval verandert dat de effectieve periode van de MA, volgens regels 1b en 2a.
regels 1b en 2a: effectieve periode stop-MA = effectieve periode stop-TA = Gebruiksperiode stop-TA.
Medicatie wijzigen
Wijzigen medicatieafspraak
De voorschrijver wijzigt medicatie binnen de MBH door het stoppen van de originele MA1 en het maken van een nieuwe MA2. De voorgaande afleidingsregels veranderen hierdoor niet:
regel 1a: effectieve periode nieuwe MA2 = Gebruiksperiode MA2.
regel 1c: effectieve periode MA1 = effectieve periode technische stop-MA.
Wijzigen toedieningsafspraak
Situatie a) De TA wordt gewijzigd bij gelijkblijvende MA.
Een MA wordt concreet ingevuld door een TA. Op deze TA kan een wijziging plaatsvinden (zie paragraaf 5.3.2). Er kunnen dus meerdere achtereenvolgende TA’s onder één MA worden gemaakt. De effectieve periode van de MA wordt nu bepaald door alle bijbehorende TA’s.
regel 2b: De effectieve periode van een MA loopt vanaf de vroegstestartDatumTijdtot aan de laatsteeindDatumTijdvan de bijbehorende TA's.
Er kunnen parallelle TA's onder één MA bestaan waarvan de RegistratieDatumTijd en startDatumTijd gelijk zijn. Daarmee wijzigt regel 2b niet.
Situatie b) De TA wordt gewijzigd als gevolg van een wijziging in de MA. Hiermee veranderen de voorgaande regels niet.
Medicatie tijdelijk onderbreken en hervatten
Onderbreken van medicatie gebeurt door het maken van een stop-MA met stoptype 'onderbroken' en dezelfde startDatumTijd als de originele MA. De eindDatumTijd van de stop-MA is het moment van tijdelijk onderbreken. Hervatten gebeurt door het maken van een MA met als startDatumTijd de datum van hervatten. Het stoptype ‘onderbroken’ zorgt er echter voor dat de effectieve periode gebaseerd blijft op de effectieve startDatumTijd van de originele MA.
regel 1d: Tijdelijk onderbreken van medicatie heeft geen invloed op de effectievestartDatumTijd. Die blijft gelijk aan de effectievestartDatumTijdvan de originele MA.
4.5.1.1 Samenvatting regels voor het bepalen van de effectieve periode
De beschreven regels moeten op volgorde van hun nummering worden verwerkt:
- regel 1a: De effectieve periode van een nieuwe MA is gelijk aan diens
Gebruiksperiode. - regel 1b: De effectieve periode van een (stop-)TA is gelijk aan diens
Gebruiksperiode. - regel 1c: Wanneer een MA definitief gestopt wordt dan is de effectieve periode van de MA de effectieve periode van de stop-MA.
- regel 1d: Tijdelijk onderbreken van medicatie beïnvloedt niet de effectieve periode. De effectieve periode blijft gelijk aan de effectieve periode van de originele MA.
- regel 2a: De effectieve periode van de MA is gelijk aan de effectieve periode van de TA.
- regel 2b: De effectieve periode van een MA loopt vanaf de vroegste
startDatumTijdtot aan de laatsteeindDatumTijdvan bijbehorende TA’s.
4.5.2 Regels voor het bepalen van de geldigheid van een bouwsteen
In paragraaf 4.4 zijn twee algemene regels over de geldigheid van bouwstenen binnen 1 MBH benoemd. Deze worden hieronder verder gespecificeerd.
- Algemene regels:
- Een stop-bouwsteen stopt de bouwsteen waar deze naar verwijst en maakt deze daarmee ongeldig.
- Sommige bouwstenen kunnen ook bouwstenen van een ander type ongeldig maken.
Het stoppen en ongeldig maken treedt in werking vanaf de (effectieve) eindDatumTijd van de stop-bouwsteen. De specifieke consolidatieregels binnen één MBH zijn dan als volgt:
- 1. Een stop-MA maakt op diens effectieve
eindDatumTijdongeldig:- de originele MA waarnaar deze stop-MA verwijst, én
- de TA en WDS die ook naar die originele MA verwijzen, én
- alle eerdere MGB’s
- 2. Een stop-TA maakt op diens
eindDatumTijdongeldig:- de originele TA waarnaar deze stop-TA verwijst, én
- alle eerdere vastgelegde MGB’s
- 3. Een stop-WDS maakt op diens
eindDatumTijdongeldig:- het WDS waarnaar dit stop-WDS verwijst, én
- alle eerdere vastgelegde MGB’s
- 4. Elk type MA, TA en WDS maakt alle eerder vastgelegde MGB’s ongeldig.
- 5. Elk type MGB maakt alle eerdere vastgelegde MGB’s ongeldig, mits afkomstig van eenzelfde type auteur.
- Uitzondering: In geval van parallelle TA's maakt een nieuwe MGB alleen de oudere MGB's ongeldig die bij dezelfde TA horen en van eenzelfde type auteur komen.
Op annuleer-bouwstenen zijn dezelfde regels van toepassing. De geldigheidsregels zijn van toepassing op afspraakbouwstenen, dus op MA, TA, en WDS. MGB’s bevatten geen afspraken, maar kunnen wel relevant zijn. Daarom zijn deze ook meegenomen in de consolidatieregels. Bij MGB’s kan ‘ongeldig’ gezien worden als ‘de informatie in deze bouwsteen kan achterhaald zijn’. MTD’s komen niet voor in deze regels. Een MTD is een registratie van een handeling die al heeft plaatsgevonden. Een stop-bouwsteen heeft geen invloed op een eenmaal vastgelegde MTD.
NB: Een eenmaal ongeldig gemaakte bouwsteen kan niet meer opnieuw geldig worden. Dan moet er een nieuwe bouwsteen worden aangemaakt.
De regels zijn bruikbaar in de meest gangbare situaties binnen een MBH. Er kunnen echter situaties bestaan die onvoldoende ondervangen worden met deze regels. Wanneer een systeem op basis van bovengenoemde regels niet kan bepalen welke bouwstenen geldig zijn, moet dit worden aangegeven aan de eindgebruiker. Deze kan dit dan verder zelf beoordelen. In de volgende paragraaf worden voorbeelden gegeven van de uitwerking van deze regels. De Implementatiehandleiding Consolidatie/afleidingsregels biedt een (niet-normatief) stappenplan voor een mogelijke praktische uitwerking van de regels.
4.5.2.1 Geldigheidsregels uitgewerkt in voorbeelden
De regels zijn hieronder uitgewerkt met behulp van voorbeelden van mogelijke situaties. De groen gekleurde bouwstenen zijn de geldige bouwstenen, bouwstenen in zwart cursief zijn niet meer geldig.
Bij stopafspraken gaat het zowel om stop- als om annuleer-afspraken.
4.5.2.1.1 Medicatie op voorschrift - algemeen
Basissituatie
De meest eenvoudige volgorde is: een medicamenteuze behandeling begint met een MA, gevolgd door een TA die de MA concreet invult. Eventueel wordt medicatiegebruik vastgelegd. Alle bouwstenen zijn in dit geval geldig.
- → MA – TA – MGB
Nieuwe MA in bestaande MBH (wijziging)
(regel 1)
Als in een bestaande MBH voor een wijziging een technische stop-MA een nieuwe MA worden vastgelegd, zijn de bijbehorende eerdere MA en TA’s en alle eerdere MGB’s niet meer geldig. Zie paragraaf 4.2.3.3 voor de situatie met toekomstige MA's en TA's.
- → MA – TA – MGB – stop-MA – MA
Een wijziging in de MA leidt tot een technische stop-TA en nieuwe TA die wel weer geldig zijn. Ook een eventuele MGB die na de nieuwe MA wordt vastgelegd is wel weer geldig.
- → MA – TA – MGB – stop-MA – MA – stop-TA – TA
- → MA – TA – MGB – stop-MA – MA – stop-TA – TA – MGB
- → MA – TA – MGB – stop-MA – MA – stop-TA – TA
Variant:
- Als de patiënt geheel moet stoppen met de medicatie is de nieuwe MA een stop-MA. Deze stop-MA is geldig, de gestopte MA niet meer. De stop-MA leidt ook weer tot een stop-TA.
- → MA – TA – MGB – stop-MA – stop-TA
Nieuwe TA in bestaande MBH (wijziging)
(regel 2)
Soms is een nieuwe TA bij een bestaande MA nodig, bijvoorbeeld bij verstrekking van een ander product vanwege preferentiebeleid. De nieuwe TA en technische stop-TA maken eerdere TA’s en MGB’s ongeldig.
- → MA – TA – MGB – stop-TA – TA
Variant:
- Een MGB die na de nieuwe TA wordt vastgelegd is wel weer geldig.
- → MA – TA – MGB – stop-TA – TA – MGB
- → MA – TA – MGB – stop-TA – TA – MGB
MGB eerder vastgelegd dan TA
(regel 2)
Het kan voorkomen dat een MGB is vastgelegd voordat de TA is vastgelegd. Deze MGB is na vastlegging van de TA niet meer geldig.
- → MA – MGB
- → MA – MGB – TA
Als daarna opnieuw een MGB wordt vastgelegd, is deze wel weer geldig.
- → MA – MGB – TA – MGB
4.5.2.1.2 Medicatie op voorschrift met wisselend doseerschema
Basissituatie
De meest eenvoudige volgorde is: een MBH begint met een MA, met een WDS wordt invulling gegeven aan de dosering; een TA vult deze MA concreet in.
- → MA – WDS – TA
Nieuw WDS
(regel 3)
De gebruiksperiode van het WDS is afgelopen en er wordt een nieuw WDS gemaakt.
- → MA – WDS – TA – WDS
Dat maakt het eerdere WDS niet ongeldig, maar voor toepassing in bijvoorbeeld een overzicht zal het eerdere WDS niet of minder relevant zijn.
Wijzigen WDS
(regel 3)
Voor het wijzigen van een WDS worden een nieuw WDS met de gewijzigde informatie en een technisch stop-WDS aangemaakt.
- → MA – WDS – TA – stop-WDS – WDS
Een stop-WDS maakt een eerder WDS wel ongeldig.
Stoppen van medicatie met WDS
(regel 1)
Definitief stoppen van medicatie met een WDS gebeurt met een stop-MA, die ook weer leidt tot een stop-TA. Het WDS wordt ongeldig gemaakt door de stop-MA; er is geen apart stop-WDS nodig.
- → MA – WDS – TA – stop-MA – stop-TA
- → MA – WDS – TA – stop-MA – stop-TA
Wijzigen van TA
Het wijzigen van een TA (bijvoorbeeld bij wijzigen van handelsproduct) gebeurt met het aanmaken van een nieuwe TA en een technische stop-TA. Dit heeft geen invloed op het WDS.
- → MA – WDS – TA – stop-TA – TA
4.5.2.1.3 Medicatie op voorschrift met toekomstige MA's en TA's
Basissituatie
Een MBH kan meerdere actuele MA’s, TA’s en MGB’s bevatten, zowel huidige als toekomstige. Hieronder wordt dit uitgewerkt, op volgorde van RegistratieDatumTijd. De toekomstige bouwstenen heten hier TMA, TTA en TMGB.
- → MA – TMA
- → MA – TA – TMA – TTA
- → MA – TA – MGB – TMA – TTA – TMGB
Variant:
- De verstrekker wil een TA wijzigen vanwege levering van een andere sterkte van een medicijn. De patiënt heeft nog voldoende voorraad voor enkele weken op basis van de bestaande TA. De technische stop-TA en nieuwe TA gaan dus pas in de toekomst in. Tot die tijd blijft de bestaande TA geldig.
- → MA – TA – MGB – Tstop-TA – TTA
- Als de
startDatumTijdvan de nieuwe TA is bereikt wordt de eerdere TA ongeldig.
- → MA – TA – MGB – Tstop-TA – TTA
Nieuwe MA in situatie met toekomstige MA's en/of TA's
(regel 1)
- De medicatie wordt gewijzigd. Daarvoor worden een nieuwe MA en een technische stop-MA met verwijzing naar de oorspronkelijke MA vastgelegd. De 3 voorbeelden hierboven komen er dan als volgt uit te zien:
- → MA – TMA – stop-MA – MA
- → MA – TA – TMA – TTA – stop-MA – MA – stop-TA – TA
- → MA – TA – MGB – TMA – TTA – TMGB – stop-MA – MA – stop-TA – TA
- De toekomstige medicatie wordt gewijzigd. Daarvoor worden een nieuwe TMA en een technische annuleer-TMA met verwijzing naar de oorspronkelijke TMA vastgelegd. De 3 voorbeelden hierboven komen er dan als volgt uit te zien:
- → MA – TMA – annuleer-TMA – TMA
- → MA – TA – TMA – TTA – annuleer-TMA – TMA – annuleer-TTA – TTA
- → MA – TA – MGB – TMA – TTA – TMGB – annuleer-TMA – TMA – annuleer-TTA – TTA
- Soms is er geen MA beschikbaar in de MBH. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren doordat de MBH is gestart met een TA of MGB, of doordat de MA niet opgeleverd is bij het raadplegen. De voorschrijver kan dan een stop-MA zonder verwijzing naar een MA vastleggen. Hiermee worden alle bestaande bouwstenen binnen deze MBH ongeldig gemaakt. Eventueel kan de voorschrijver dan alsnog een nieuwe MA binnen deze MBH aanmaken.
- → TA – MGB – stop-MA-zonder-verwijzing – MA
- → TA – TTA – MGB – stop-MA-zonder-verwijzing – MA – TMA
- → TA – MGB – TTA – TMGB – stop-MA-zonder-verwijzing – MA – TMA
Nieuwe TA in situatie met toekomstige MA’s en/of TA’s
(regel 2)
- Er wordt een (nieuwe) TA gemaakt voor alleen de huidige MA, met verwijzing naar die huidige MA. Hieronder volgen 3 voorbeelden:
- → MA – TMA – TA
- → MA – TA – TMA – TTA – stop-TA – TA
- → MA – TA – MGB – TMA – TTA – TMGB – stop-TA – TA
- Er wordt een (nieuwe) TTA gemaakt voor de TMA, met verwijzing naar die TMA. De 3 voorbeelden komen er dan als volgt uit te zien:
- → MA – TMA – TA – TTA
- → MA – TA – TMA – TTA – annuleer-TTA – TTA
- → MA – TA – MGB – TMA – TTA – TMGB – annuleer-TTA – TTA
4.5.2.1.4 Zelfzorgmedicatie
Gebruik van zelfzorgmedicatie als paracetamol kan met MGB worden vastgelegd.
- → MGB
Variant:
- Als een voorschrijver besluit deze behandeling te formaliseren met een MA, gelden vervolgens de regels hierboven. Hieronder enkele voorbeelden op volgorde van
RegistratieDatumTijd:
- (regel 1)
- → MGB – MGB – MA
- → MGB – MGB – MA – MGB
- → MGB – MGB – MA – TA – MGB
- (regel 2)
- → MGB – MGB – MA – MGB – TA – MGB
- (regel 4 en 5)
- → MGB – MGB – MA – MGB – MGB
- Als een voorschrijver besluit deze behandeling te formaliseren met een MA, gelden vervolgens de regels hierboven. Hieronder enkele voorbeelden op volgorde van
4.5.2.1.5 Medicatiegebruik vastgelegd door verschillende auteurs
(regel 4)
Een MGB maakt alleen eerdere MGB’s van hetzelfde type auteur ongeldig. Enkele voorbeelden:
MGB-pat = MGB vastgelegd door patiënt
MGB-zvl = MGB vastgelegd door een zorgverlener
- → MA – TA – MGB-zvl – MGB-pat
- → MA – TA – MGB-pat – MGB-zvl
- → MA – TA – MGB-pat – MGB-pat
- → MA – TA – MGB-zvl – MGB-pat – MGB-pat
- → MA – TA – MGB-zvl – MGB-pat – MGB-pat – MGB-zvl
4.6 Overzichten van medicatiegegevens
Na het consolideren is van elke bouwsteen in een MBH bekend of deze geldig of ongeldig en actueel of niet-actueel is. Hierdoor kunnen alle gegevens in hun juiste context worden geplaatst. Op basis hiervan kunnen verschillende overzichten van medicatiegegevens worden gegenereerd. Er zijn allerlei situaties en doeleinden denkbaar waarin een overzicht van medicatiegegevens gebruikt wordt. Hiervoor is dus niet één definitie of beschrijving te geven. Zo’n overzicht kan ook verschillende vormen hebben (papier, pdf, presentatie op een beeldscherm etc.).
Voorbeelden van overzichten zijn:
- een medicatieoverzicht zoals beschreven in de Richtlijn Overdracht van Medicatiegegevens in de keten
- een medicatiedashboard in het informatiesysteem van een zorgverlener
- een toedienlijst
Voor elke situatie zal een eigen wijze van presentatie gekozen worden, in overleg tussen gebruiker of organisatie en leverancier. De effectieve periode kan bijvoorbeeld worden gebruikt om het beloop van een behandeling weer te geven, of om een indeling te maken naar huidige, toekomstige en recent gestopte medicatie. Nadere informatie over toedienlijsten is te vinden in paragraaf 5.4.2. Er zijn overigens situaties denkbaar waarin de consolidatieregels niet tot een compleet en/of accuraat overzicht leiden, bijvoorbeeld omdat de patiënt geen toestemming tot delen heeft gegeven. Daarom is altijd medicatieverificatie wenselijk.
5 Medicatieproces
Dit hoofdstuk is nog in review. Onderstaande paragraaf komt overeen met 20260127 Hoofdstuk 5 - inleiding.docx
Dit hoofdstuk beschrijft het medicatieproces in relatie tot het vastleggen en uitwisselen van de daarbij benodigde gegevens. Het generieke medicatieproces bestaat in de kern uit de deelprocessen voorschrijven, ter hand stellen, toedienen en gebruiken. Het proces start wanneer een patiënt een geneesmiddel gaat gebruiken, al dan niet op voorschrift. Het eindigt wanneer het gebruik van het betreffende middel stopt. Het proces kan per sector en situatie op een verschillende manier verlopen. Niet alle onderdelen zijn altijd van toepassing; zo is in de ambulante situatie een VV vereist voor medicatieverstrekking, maar niet in de klinische situatie. Deelprocessen kunnen ook iteratief of in een andere volgorde uitgevoerd worden.
Om het medicatieproces op een verantwoorde manier te laten verlopen zijn ook ondersteunende activiteiten als medicatieverificatie en medicatiebewaking nodig. Medicatieverificatie is in verschillende deelprocessen aan de orde en is daarom ook als apart deelproces opgenomen. Doordat MP9 bijdraagt aan de volledigheid van medicatiegegevens, kan betere medicatiebewaking worden uitgevoerd. Medicatiebewaking zelf valt buiten de scope van dit FO.
In de paragrafen 5.1 t/m 5.5 worden de deelprocessen beschreven. Paragraaf 5.6 bevat enkele aandachtspunten rond de klinische situatie.
De functionele beschrijving wordt geïllustreerd met praktijkvoorbeelden. Alle praktijkvoorbeelden zijn op een aparte overzichtspagina te vinden. Daarnaast zijn er aparte pagina’s met praktijkvoorbeelden per deelproces en voor GDS (Geneesmiddel Distributie Systeem):
- Praktijkvoorbeelden Voorschrijven
- Praktijkvoorbeelden Ter hand stellen
- Praktijkvoorbeelden Toedienen
- Praktijkvoorbeelden Gebruiken
- Praktijkvoorbeelden GDS
Sommige praktijkvoorbeelden zijn voor meerdere deelprocessen relevant, en zijn dus op verschillende pagina’s terug te vinden.
5.1 Deelproces Medicatieverificatie
Dit hoofdstuk is nog in review. Onderstaande paragraaf komt overeen met 20260127 Paragraaf 5.1 Deelproces Medicatieverificatie.docx
Deze paragraaf beschrijft het proces van medicatieverificatie. Medicatieverificatie is het samen met (de vertegenwoordiger van) de patiënt vaststellen van het daadwerkelijke gebruik van medicatie door de patiënt. Ook andere informatie die van belang kan zijn voor dat gebruik (contra-indicaties, allergieën, ernstige bijwerkingen en laboratoriumwaarden) kan hierbij worden uitgevraagd. Doel is om optimaal inzicht te verkrijgen in het daadwerkelijke gebruik van medicatie door een patiënt, zodat goede zorg verleend kan worden. Op verschillende momenten in het zorgproces kan medicatieverificatie nodig of wenselijk zijn. Bijvoorbeeld voorafgaand aan voorschrijven, ter hand stellen of toedienen van medicatie, bij evaluatie van een behandeling, of bij de voorbereiding van een opname. Ter ondersteuning van de implementatie van dit deelproces zijn diverse voorbeelden beschikbaar op de pagina Praktijkvoorbeelden Medicatieverificatie.
5.1.1 Overzicht deelproces Medicatieverificatie
Met de transactie Raadplegen medicatiegegevens verzamelt de zorgverlener de beschikbare medicatiebouwstenen, inclusief eventuele MGB's die door de patiënt zijn vastgelegd. Na consolideren heeft de zorgverlener een overzicht van de medicatie van de patiënt. Daarnaast kan ook gebruik gemaakt worden van bronnen als:
- meegenomen medicatie
- telefonische informatie van de apotheker of huisarts van de patiënt
De zorgverlener bespreekt deze informatie met de patiënt en kan de geverifieerde medicatie (inclusief zelfzorgmedicatie en medicatie uit het buitenland) als medicatiegebruik (MGB) vastleggen. Ook kan de zorgverlener besluiten om een nieuwe MA of TA vast te leggen, of een MA of TA met wijziging. De vastgelegde gegevens rond medicatiegebruik worden beschikbaar gesteld aan medebehandelaars en patiënt zodat deze de gegevens kunnen raadplegen.
5.1.2 Uitkomsten van Medicatieverificatie
5.1.2.1 Hoe wordt een geneesmiddel gebruikt?
Bij medicatieverificatie zijn voor elk geneesmiddel de volgende uitkomsten mogelijk:
- Het geneesmiddel wordt gebruikt zoals afgesproken.
- Het gebruik is niet zoals afgesproken. Voorbeelden:
- – De patiënt gebruikt het geneesmiddel anders dan afgesproken, of wil dit gaan doen.
- – De patiënt gebruikt een ander geneesmiddel dan bij de zorgverlener bekend is.
- Onbekend of het gebruik is zoals afgesproken. Voorbeeld:
- – De patiënt heeft in het buitenland medicatie voorgeschreven gekregen maar het voorschrift is niet meer beschikbaar.
De zorgverlener kan deze bevindingen voor ieder geneesmiddel vastleggen met de bouwsteen MGB. In paragraaf 5.1.3 wordt dit verder toegelicht. Bij afwijkend gebruik kan een voorschrijver ook besluiten een nieuwe MA of MA met wijziging vast te leggen (zie paragraaf 5.2.2 Medicatieafspraak). Ziet de voorschrijver daar geen aanleiding toe, dan kan hij ook alleen een MGB vastleggen, eventueel met opmerking dat hij de patiënt heeft verzocht zich te houden aan de eerder gemaakte afspraken. Een verstrekker kan bij afwijkend gebruik ook een VMA naar de voorschrijver sturen en/of de patiënt aanraden de voorschrijver te informeren over het afwijkende gebruik.
5.1.2.2 Onterecht openstaande medicatie of 'weeskinderen'
Tijdens verificatie kan ook blijken dat medicatie onterecht nog openstaat. In bepaalde situaties kan het voorkomen dat bouwstenen (MA’s, TA’s) onterecht actueel zijn gebleven, de zogenaamde ‘weeskinderen’. Voorbeelden:
- In de hybride situatie is bij het samenvoegen van bouwstenen voor dezelfde medicatie iets niet goed gegaan.
- Medicatie is gestopt in een ander systeem dan dat van de voorschrijver en dit systeem is niet (meer) beschikbaar voor het uitwisselen van bouwstenen. Hierdoor wordt de stop-MA niet opgeleverd en lijkt de oorspronkelijke MA dus nog actueel en geldig.
Bij bouwstenen met eindDatumTijd is het probleem beperkt omdat die medicatie na de eindDatumTijd vanzelf niet meer actueel is. Bouwstenen zonder eindDatumTijd zouden zonder ingrijpen wel blijvend actueel en geldig lijken. Tijdens medicatieverificatie kunnen dergelijke ‘weeskinderen’ gesignaleerd worden. De zorgverlener moet dit corrigeren met een stop-bouwsteen. De stop-bouwsteen wordt zo mogelijk verstuurd naar de zorgverlener die de oorspronkelijke bouwsteen heeft vastgelegd.
5.1.3 Aanwijzingen voor invulling bouwsteen Medicatiegebruik
Deze paragraaf bevat uitleg over de invulling van enkele data-elementen in specifieke situaties. In de tabbladen Dataset en Scenario’s in ART-DECOR is alle formele broninformatie over de bouwstenen en hun data-elementen te vinden. Onderstaande tabel laat voor een aantal data-elementen zien hoe deze in verschillende situaties moeten worden ingevuld.
De zorgverlener die de verificatie uitvoert is de Auteur van de bouwsteen. In Informant kan de bron van de betreffende informatie aangegeven worden, bijvoorbeeld de patiënt, een zorgverlener of een andere betrokkene. In RelatieMedicatieafspraak of RelatieToedieningsafspraak wordt verwezen naar de MA óf TA die de referentie is geweest voor het opgeven van dit gebruik.
| Situatie | Gebruik Indicator | VolgensAfspraak Indicator | Medicatiegebruik StopType | Gebruiksperiode (maximaal 2 van 3 invullen) | Doseerinstructie | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| startDatumTijd | tijdsDuur | eindDatumTijd | |||||
| Medicatie is/wordt in Gebruiksperiode gebruikt | |||||||
| Dit is volgens afspraak | ja | ja | leeg laten | invullen conform MA of TA | invullen conform MA of TA | ||
| datum/tijd waarop gebruik gestart is of zal starten | (beoogde) duur van het gebruik | datum/tijd waarop gebruik geëindigd is of zal eindigen | |||||
| Dit is niet volgens afspraak | ja | nee | leeg laten | datum/tijd waarop afwijkend gebruik gestart is of zal starten | (beoogde) duur van het afwijkende gebruik | datum/tijd waarop afwijkend gebruik geëindigd is of zal eindigen | daadwerkelijk gebruikte dosering moet ingevuld worden |
| Er is geen afspraak (zelfzorgmedicatie) / onbekend of dit volgens afspraak is | ja | leeg laten | leeg laten | datum/tijd waarop gebruik gestart is of zal starten | (beoogde) duur van het gebruik | datum/tijd waarop gebruik geëindigd is of zal eindigen | dosering die patiënt met zichzelf heeft afgesproken moet ingevuld worden |
| Medicatie is/wordt in Gebruiksperiode niet gebruikt | |||||||
| Dit is volgens afspraak | nee | ja | leeg laten of invullen conform stop-afspraak | datum/tijd vanaf wanneer gebruik gestaakt of onderbroken wordt | n.v.t. bij staken (beoogde) duur van onderbreken | n.v.t. bij staken datum/tijd waarop gebruik hervat wordt of zal worden | leeg laten er is geen sprake van een dosering |
| Dit is niet volgens afspraak | nee | nee | stopgezet / onderbroken | datum/tijd vanaf wanneer gebruik gestaakt of onderbroken wordt | n.v.t. bij staken (beoogde) duur van onderbreken | n.v.t. bij staken datum/tijd waarop gebruik hervat wordt of zal worden | leeg laten er is geen sprake van een dosering |
| Er is geen afspraak (zelfzorgmedicatie) / onbekend of dit volgens afspraak is | nee | leeg laten | stopgezet / onderbroken | datum/tijd vanaf wanneer gebruik gestaakt of onderbroken wordt | n.v.t. bij staken (beoogde) duur van onderbreken | n.v.t. bij staken datum/tijd waarop gebruik hervat wordt of zal worden | leeg laten er is geen sprake van een dosering |
Meer uitleg over het invullen van de medicatiebouwstenen MGB, MA en TA tijdens medicatieverificatie is te vinden in de Implementatiehandleiding invulling bouwstenen bij medicatieverificatie.
5.1.4 Informatieoverdracht en systeemrollen tijdens deelproces Medicatieverificatie
Tijdens het deelproces Medicatieverificatie kunnen diverse vormen van informatieoverdracht plaatsvinden. De tabel hieronder laat zien welke systeemrollen hiervoor nodig zijn.
| type gegevensuitwisseling | systeemrol | systeemrolcode |
|---|---|---|
| De zorgverlener raadpleegt de beschikbare medicatiegegevens. | MedicatieGegevensRaadplegend | MP-MGR |
| Het informatiesysteem van de zorgverlener levert bij raadpleging de vastgelegde medicatiegegevens op. | MedicatieGegevensBeschikbaarstellend | MP-MGB |
| De zorgverlener kan de vastgelegde medicatiegegevens versturen naar zorgverleners. | MedicatieGegevensSturend | MP-MGS |
Zorgverleners die medicatieverificatie uitvoeren kunnen van verschillende informatiesystemen gebruik maken. Zie paragraaf 3.2.3 voor een overzicht van de systeemrollen per informatiesysteem.
5.2 Deelproces Voorschrijven
Dit hoofdstuk is nog in review. Onderstaande paragraaf komt overeen met 20260127 Paragraaf 5.2 Deelproces Voorschrijven.docx
Deze paragraaf beschrijft het proces van voorschrijven. De rol van voorschrijver mag worden uitgevoerd door iedereen met een voorschrijfbevoegdheid volgens de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG). Daarnaast mag een voorschrijver deze taak delegeren aan andere zorgverleners zonder eigen voorschrijfbevoegdheid. Dit mag alleen binnen de voorwaarden in de wet en binnen de afspraken in de betreffende zorgorganisatie. Ter ondersteuning van de implementatie van dit deelproces zijn diverse voorbeelden beschikbaar op de pagina Praktijkvoorbeelden Voorschrijven.
5.2.1 Overzicht deelproces Voorschrijven
5.2.1.1 Voorschrijfproces algemeen
Starten voorschrijfproces
Het voorschrijfproces kan starten tijdens een consult of naar aanleiding van een voorstel van een andere zorgverlener of de patiënt met betrekking tot diens medicamenteuze behandeling. Zie paragraaf 5.2.5.1 voor uitleg over voorstelgegevens.
De voorschrijver evalueert de situatie van de patiënt, waaronder diens medicamenteuze behandeling. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van een overzicht van medicatiegegevens (zie Hoofdstuk 4).
Mogelijke acties bij voorschrijven
Vervolgens besluit de voorschrijver om medicatie te starten, continueren, stoppen of wijzigen. Hierbij kunnen de volgende medicatiebouwstenen vastgelegd worden:
- MA voor het vastleggen van de therapeutische intentie van de voorschrijver.
- WDS voor het specificeren van het doseerschema bij geneesmiddelen met wisselende dosering (bijvoorbeeld antistollingsmedicatie).
- VV voor de logistieke verwerking van de voorgeschreven medicatie.
Dit wordt per bouwsteen verder uitgewerkt in de paragrafen 5.2.2 t/m 5.2.4.
Gegevens uitwisselen
De voorschrijver stuurt de (stop-)MA met of zonder VV met de transactie Sturen medicatievoorschrift naar de verstrekker. Zo nodig kan een WDS, informatie over lengte of gewicht, of nierfunctiewaarde van de patiënt meegestuurd worden. De vastgelegde gegevens worden ook beschikbaar gesteld. De informatieoverdracht wordt in paragraaf 5.2.5 verder behandeld. Tijdens het voorschrijfproces wordt medicatiebewaking uitgevoerd; de uitwerking hiervan is buiten scope van dit FO.
5.2.1.2 Enkele specifieke situaties
Dienstwaarneming door huisartsenpost (HAP)
Een huisartsenpost (HAP) werkt in opdracht van de vaste huisarts. De dienstwaarneming volgt in principe het generieke proces van voorschrijven. Ook de HAP kan medicatie starten, continueren, wijzigen en stoppen. De HAP zal zo nodig ook de bijbehorende verstrekkingsverzoeken doen.
Als aanvulling op dit proces kan de HAP-voorschrijver gebruik maken van het data-element VolgendeBehandelaar (zie paragraaf 5.2.2.6.7).
Medicatieproces in de klinische situatie
Het medicatieproces in de klinische situatie wordt apart behandeld in paragraaf 5.6.
Medicatie op toedienlijst
Bij sommige patiënten staat medicatie op een toedienlijst (toedienpatiënten). Deze medicatie kan door een toediener, of door de patiënt zelf toegediend worden. De gegevens die nodig zijn voor het genereren van een toedienlijst kunnen door de voorschrijver in MA of WDS worden vastgelegd en/of door de verstrekker in de TA (zie paragraaf 5.2.2.6 en 5.4.2).
5.2.2 Medicatieafspraak
De MA is de therapeutische bouwsteen in een voorschrift. Hierin legt de voorschrijver vast wat er met de patiënt is afgesproken over het betreffende geneesmiddel. De MA geeft de therapeutische intentie van de voorschrijver weer. Op hoofdlijnen kan een voorschrijver een eerste MA maken binnen een nieuwe MBH, of een bestaande MA continueren, stoppen, wijzigen of tijdelijk onderbreken. Dit wordt in paragraaf 5.2.2.1 t/m 5.2.2.4 uitgewerkt. Zie ook paragraaf 2.4.3 voor uitleg over werkwijze bij stoppen en wijzigen.
Een MA kan gemaakt worden om direct in te gaan maar kan ook vooruit gepland worden, met start in de toekomst (TMA). Deze TMA heeft een startDatumTijd die later ligt dan de datum waarop de afspraak gemaakt is. In paragraaf 5.2.2.6 wordt voor een aantal data-elementen toegelicht hoe deze in bepaalde situaties moeten worden ingevuld.
5.2.2.1 Starten medicatie
Een eerste MA vormt doorgaans de start van een MBH. Soms kan een MBH ook beginnen met een andere therapeutische bouwsteen. Voorbeelden:
- MTD in situaties waarbij acute toediening van een geneesmiddel nodig is.
- TA als de verstrekker (nog) niet de beschikking heeft over de digitale MA, bijvoorbeeld in de hybride situatie.
- Door de patiënt vastgelegde MGB.
In dergelijke gevallen volgt de eerste MA op deze bouwstenen binnen de betreffende MBH. Ook dan is de MA altijd leidend voor het weergeven van de therapeutische intentie van de voorschrijver.
5.2.2.2 Continueren medicatie
Voorbeelden van continueren van medicatie zijn:
- Herhaalmedicatie; er is alleen een nieuw VV nodig bij bestaande MA.
- Bij opname in een instelling waarbij de thuismedicatie wordt doorgebruikt.
In deze beide gevallen hoeft de bestaande MA niet aangepast te worden, tenzij de Gebruiksperiode van de MA verstreken is. In dat geval moet er een nieuwe MA worden vastgelegd.
NB: Het voortzetten van een behandeling met een middel met een andere PRK valt niet onder continueren, maar onder wijzigen
(zie paragraaf 5.2.2.4).
5.2.2.3 Stoppen medicatie
Een MA waarin meteen al een eindDatumTijd is vastgelegd, bijvoorbeeld voor een kuur, stopt vanzelf op die datum. Hierbij is geen stop-MA nodig.
Als de medicatie eerder gestopt moet worden, of als een MA geen eindDatumTijd heeft, moet er een stop-MA binnen dezelfde MBH worden vastgelegd. De stop-MA bevat de volgende nieuwe gegevens:
| data-element in dataset | uitleg |
|---|---|
| eindDatumTijd | De datum waarop de MA eindigt. Deze einddatum kan ook in de toekomst liggen. |
| Voorschrijver | Naam van de zorgverlener die de stop-MA maakt. |
| RegistratieDatumTijd | Datum en tijd waarop de stop-MA wordt vastgelegd. |
| MedicatieafspraakStopType | ‘stopgezet’ |
| RelatieMedicatieafspraak | Relatie naar de MA die gestopt wordt. Een stop-MA moet deze relatie bevatten, tenzij er geen MA beschikbaar is in de MBH om naar te verwijzen. Als de MBH alleen TA(‘s) en/of MGB(‘s) bevat, moet de voorschrijver deze kunnen stoppen met een stop-MA zonder RelatieMedicatieafspraak. De stop-MA krijgt in dat geval ook geen relatie naar een TA of MGB. |
| RedenWijzigenOfStaken | Reden voor stoppen van de MA. |
Uit de bouwsteen waarnaar verwezen wordt moet de overige beschikbare informatie worden overgenomen, in ieder geval de volgende elementen:
| data-element in dataset | uitleg |
|---|---|
| startDatumTijd | De oorspronkelijke startdatum. |
| AfgesprokenGeneesmiddel | Het afgesproken geneesmiddel. In geval van magistralen of ingrediënten hoeven 90 miljoen-nummers niet overgenomen te worden. |
| Gebruiksinstructie | De oorspronkelijke gebruiksinstructie. Het onderdeel AanvullendeInstructie hoeft niet te worden overgenomen aangezien wijze van gebruik bij een stop-MA niet meer relevant is. |
De MA kan per direct gestopt worden met eindDatumTijd vandaag.
De MA kan ook gestopt worden met een eindDatumTijd in de toekomst. Als de voorschrijver de Gebruiksperiode daarna alsnog verder wil inkorten, wordt een tweede stop-MA aangemaakt. Deze tweede stop-MA verwijst naar de meest recente MA, in dit geval de eerste stop-MA. Het vastleggen van een stop-MA leidt tot het stoppen van de bijbehorende WDS’en en TA’s. Daarbij moet voor de TA’s nog een stop-TA worden vastgelegd. Voor het WDS is geen stop-WDS nodig.
5.2.2.3.1 Stoppen medicatieafspraak door andere voorschrijver
Een MA kan door de voorschrijver zelf gestopt worden maar ook door een andere voorschrijver. Wanneer een voorschrijver medicatie stopt maakt hij een stop-MA, ook bij het stoppen van een MA van een ander. De stop-MA wordt naar de zorgverlener die de gestopte MA heeft gemaakt gestuurd (transactie Sturen medicatiegegevens). De stop-MA moet ook naar de verstrekker gestuurd worden. De voorschrijver kan deze vinden door het raadplegen van de bij de MA horende TA’s (transactie Raadplegen medicatiegegevens). Hij verstuurt vervolgens de stop-MA naar de verstrekker met een actuele TA (transactie Sturen medicatievoorschrift).
5.2.2.3.2 Annuleren toekomstige medicatieafspraak
Het stoppen van een MA met startDatumTijd in de toekomst (TMA) heet annuleren. De TMA wordt geannuleerd door het vastleggen van een annuleer-TMA. Dit is een stop-MA met stoptype ‘geannuleerd’. De annuleer-TMA laat zien dat de patiënt de betreffende medicatie nooit volgens die TMA heeft gebruikt. De annuleer-TMA werkt hetzelfde als de stop-MA zoals hierboven beschreven, maar met twee verschillen:
- Het stoptype is ‘geannuleerd’ i.p.v. ‘stopgezet’;
- De
startDatumTijdeneindDatumTijdvan de annuleer-TMA zijn aan elkaar gelijk.
Het onderscheid tussen een annuleer-TMA en een gewone stop-MA maakt duidelijk of een geneesmiddel nooit (volgens die TMA) gebruikt is geweest, of dat het gebruik eerst is gestart en daarna gestopt.
5.2.2.4 Wijzigen medicatie
Veranderingen in medicatie kunnen bijvoorbeeld gaan over dosering, toedieningsweg, gebruiksperiode of voorschrijver. Als een verandering resulteert in een andere PRK stopt de voorschrijver de MA en legt een nieuwe MA vast in een nieuwe MBH (zie paragraaf 2.4.2). Voorbeelden zijn verandering in toedieningsweg of sterkte, of overstappen naar een ander geneesmiddel. Als de PRK van het voorgeschreven geneesmiddel gelijk blijft worden wijzigingen vastgelegd onder dezelfde MBH. Medicatie wordt gewijzigd door binnen dezelfde MBH een technische stop-MA en een nieuwe MA met de wijziging vast te leggen (zie paragraaf 2.4.3). In de nieuwe MA wordt de reden van wijzigen in RedenWijzigenOfStaken vastgelegd en een verwijzing naar de oorspronkelijke MA in RelatieMedicatieafspraak.
Het verlengen van de Gebruiksperiode van een MA kan op twee manieren plaatsvinden:
- Aanmaken van een nieuwe MA2 met
startDatumTijdna deeindDatumTijdvan de oorspronkelijke MA1. Er is geen stop-MA op MA1 nodig, deze verloopt vanzelf op dienseindDatumTijd. De nieuwe MA2 kan zowel tijdens als na deGebruiksperiodevan MA1 aangemaakt worden. - Verlengen van de
Gebruiksperiodevan de oorspronkelijke MA1 als die nog niet verlopen is. Dit is een wijziging met technische stop-MA en een nieuwe MA2 met de verlengdeGebruiksperiode.
Een wijziging kan per direct ingaan of kan gepland worden met een startDatumTijd in de toekomst. Als de wijziging wordt doorgevoerd in een toekomstige MA dan wordt er een technische annuleer-TMA gemaakt en een nieuwe TMA met de wijziging. De technische stop-MA en technische annuleer-TMA werken hetzelfde als de gewone stop-MA en annuleer-TMA. Ze hebben dus ook stoptype ‘stopgezet’ of ‘geannuleerd’ (zie paragraaf 5.2.2.3). De technische stop-MA en nieuwe MA worden gelijktijdig aangemaakt en hebben dus dezelfde RegistratieDatumTijd (zie paragraaf 2.4.3.1). Ze worden gelijktijdig verstuurd en gelijktijdig beschikbaar gesteld. Bij raadplegen worden ze ook gelijktijdig opgeleverd. Hetzelfde geldt voor de technische annuleer-TMA en nieuwe TMA.
5.2.2.4.1 Corrigeren medicatieafspraak
Het kan voorkomen dat een voorschrijver een vergissing heeft gemaakt in een MA, bijvoorbeeld een typefout in de dosering. Als de foutieve MA nog niet gedeeld is met andere zorgverleners, kan de voorschrijver deze in het eigen informatiesysteem aanpassen of schrappen. Als de foutieve afspraak al wel gedeeld is met andere zorgverleners dan moet deze gecorrigeerd worden. Bij gelijkblijvende PRK volgt corrigeren het proces van wijzigen van een MA. Er worden twee nieuwe MA’s gemaakt binnen dezelfde MBH:
- Een nieuwe MA met de juiste gegevens en ‘foutieve registratie van medicatie’ in
RedenWijzigenOfStaken. - Een technische stop-MA met stoptype ‘stopgezet’ en verwijzing naar de te corrigeren MA in
RelatieMedicatieafspraak.
Corrigeren van een toekomstige MA gebeurt op dezelfde manier, met een technische annuleer-TMA plus nieuwe TMA. Als de correctie inhoudt dat medicatie met andere PRK wordt voorgeschreven, dan gaat het niet om een wijziging. De MA wordt in dat geval gestopt met een stop-MA met ‘foutieve registratie van medicatie’ in RedenWijzigenOfStaken. De nieuwe MA wordt in een andere MBH vastgelegd.
5.2.2.4.2 Wijzigen medicatieafspraak door andere voorschrijver
Een MA kan door de voorschrijver zelf gewijzigd worden maar ook door een andere voorschrijver. De stop-MA wordt naar de zorgverlener gestuurd die de originele MA heeft gemaakt (transactie Sturen medicatiegegevens). De stop-MA en nieuwe MA worden met of zonder VV gestuurd naar de verstrekker met een actuele TA, zie paragraaf 5.2.2.3.1 (transactie Sturen medicatievoorschrift).
5.2.2.5 Tijdelijk onderbreken en hervatten van medicatie
Tijdelijk onderbreken is het stoppen van de medicatie gedurende een bepaalde periode. De onderbreking kan per direct ingaan of er kan een toekomstige onderbreking gepland worden. Gedurende de periode van onderbreken wordt de medicatie als actueel beschouwd vanwege de intentie om deze in de toekomst te hervatten. Er worden twee nieuwe MA’s gemaakt binnen dezelfde MBH:
- Een stop-MA met stoptype ‘onderbroken’, verwijzing naar de te onderbreken MA in
RelatieMedicatieafspraaken reden voor onderbreken in RedenWijzigenOfStaken. - Een nieuwe MA ter hervatting met relatie naar die stop-MA en eventueel de reden van hervatting in
RedenWijzigenOfStaken. Deze kan direct aangemaakt worden of later, bijvoorbeeld pas als de datum van hervatting bekend is.
Indien de voorschrijver de onderbroken MA definitief wil stoppen, wordt er een stop-MA met stoptype ‘stopgezet’ gemaakt met verwijzing naar de stop-MA waarmee de oorspronkelijke MA is onderbroken. Tijdelijke substitutie met een ander middel is geen wijziging of onderbreking maar daadwerkelijk stoppen van het eerste middel en het starten van een nieuwe MBH met het substituut.
5.2.2.6 Aanwijzingen voor invulling bouwsteen Medicatieafspraak
Deze paragraaf bevat uitleg over de invulling van enkele data-elementen in specifieke situaties. In de tabbladen Dataset en Scenario’s in ART-DECOR is alle formele broninformatie over de bouwstenen en hun data-elementen te vinden.
5.2.2.6.1 AanvullendeInformatie
Bij starten of wijzigen van GDS-medicatie kan de voorschrijver in data-element AanvullendeInformatie van de nieuwe MA aangeven wanneer dit moet ingaan. Dit kan zijn:
- Direct op toedienlijst of in GDS
- Na reguliere voorschriftverwerking op toedienlijst of in GDS
- Per volgende GDS-rolwissel op toedienlijst
Als bij wijzigen een van deze waarden in de nieuwe MA wordt ingevuld, moet de technische stop-MA dezelfde waarde krijgen. Bij stoppen van medicatie kan deze informatie in de stop-MA worden vastgelegd. In paragraaf 6.1 is alle relevante informatie over GDS-medicatie in een overzicht gezet.
5.2.2.6.2 AfgesprokenGeneesmiddel
G-standaard en vrije tekst
In AfgesprokenGeneesmiddel wordt het voor te schrijven geneesmiddel vastgelegd met een code uit de G-standaard, doorgaans op PRK-niveau.
Het is wel mogelijk om zonder zo’n code, dus in vrije tekst, voor te schrijven. Dit is echter alleen toegestaan wanneer er geen geschikte code beschikbaar is in de G-Standaard, bijvoorbeeld bij onderzoeksmedicatie. Dit mag alleen bij hoge uitzondering gebeuren, onder andere omdat zonder G-standaardcode geen medicatiebewaking kan worden uitgevoerd.
Niet-geneesmiddelen
Ook niet-geneesmiddelen kunnen, op HPK-niveau, vanuit de G-standaard voorgeschreven worden. Voorbeeld: inhalator (Aerochamber, HPK 1915185) als hulpmiddel voor voorgeschreven aerosolen. Niet-geneesmiddelen zijn niet van toepassing voor een medicatieoverzicht of medicatiebewaking.
Eigen artikelen
Eigen artikelen (90 miljoen nummer) kunnen ook in dit data-element worden vastgelegd. Voorwaarde is dat binnen een organisatie een eenmaal aangemaakt 90 miljoen nummer nooit aangepast mag worden. Bij de uitwisseling zorgt de root-oid (unieke technische identificatie van de organisatie) in combinatie met het 90 miljoen nummer ervoor dat deze uniek is ten opzichte van alle 90 miljoen nummers vanuit andere organisaties.
De stoffen waaruit dit artikel bestaat worden als ingrediënten in dit data-element van de MA vastgelegd. Er moet minimaal één ingrediënt worden vastgelegd, zoals bij magistralen.
5.2.2.6.3 Gebruiksinstructie
AanvullendeInstructie
Antistollingsmedicatie (zie paragraaf 5.2.3.1)
Bij geneesmiddelen met een wisselend doseeerschema wordt in de MA geen Doseerinstructie opgenomen. In AanvullendeInstructie wordt ‘gebruik volgens schema trombosedienst’ vastgelegd.
Medicatie die toegediend moet worden (zie paragraaf 5.4.2.1.4)
Er kunnen extra aanwijzingen voor de toediening worden meegegeven aan de (professionele) toediener en/of patiënt. Voorbeelden zijn:
- Aangeven dat bij het stoppen van een fentanylpleister de pleister verwijderd moet worden.
- Bij dosering van een halve tablet aangeven wat er met de andere halve tablet moet gebeuren.
Dergelijke gegevens kunnen niet gestructureerd worden vastgelegd. Deze worden in vrije tekst in het data-element AanvullendeInstructie van de MA, TA en/of het WDS vastgelegd.
Doseerinstructie
‘Zo nodig’-medicatie
In geval van ‘zo nodig’-medicatie wordt in data-element ZoNodig.Criterium vastgelegd in welke situatie de medicatie genomen moet worden.
(Richt)toedientijden bij medicatie die toegediend moet worden
Voor een toedienlijst zijn (richt)toedientijden en doseerinstructies noodzakelijk. Deze gegevens kunnen in de TA, MA of het WDS vastgelegd worden. Verstrekkers en voorschrijvers in de ambulante setting leggen niet standaard de (richt)toedientijden vast en moeten dus alert zijn dat het om een toedienpatiënt gaat. Standaard wordt uitgegaan van flexibele (richt)toedientijden.
Soms is een specifieke toedientijd vereist, bijvoorbeeld vanwege een wisselwerking met andere medicatie. Behalve het vermelden van de exacte toedientijd moet op de toedienlijst ook duidelijk zijn dat hier niet van afgeweken mag worden. Dit moet aangegeven worden door in MA, TA en/of WDS het data-element Toedieningsschema.IsFlexibel op ‘nee’ te zetten.
5.2.2.6.4 Gebruiksperiode
In de Gebruiksperiode wordt de beoogde duur van de medicatie vastgelegd:
- Medicatie voor onbepaalde duur: hierbij wordt alleen
startDatumTijdingevuld, zondertijdsDuurofeindDatumTijd. - Medicatie voor bepaalde duur: 2 van de 3 data-elementen moeten worden ingevuld. Dit is ook het geval bij medicatie voor eenmalig gebruik.
- Als er een
eindDatumTijdwordt vermeld, is het meegeven van de tijd altijd verplicht. Dit is om verwarring te voorkomen tussen 'tot' en 'tot en met'. In geval van een 'tot en met' datum (dus bij een gehele dag) is tijdstip 23:59:59 van toepassing.
Indien de startDatumTijd of eindDatumTijd van de MA situatieafhankelijk is, kan dit aangegeven worden in het data-element Gebruiksperiode.Criterium. Dit criterium maakt expliciet wat de situatieafhankelijkheid inhoudt. Voorbeelden hiervan zijn:
- ‘X dagen voor opname starten’ – als het exacte startmoment afhankelijk is van een geplande ziekenhuisopname.
- ‘X dagen na vakantie stoppen’ – als de medicatie wordt afgebouwd na een specifieke gebeurtenis met een onzekere einddatum.
- ‘X dagen voor vakantie starten en y dagen na vakantie stoppen’ – als de medicatie alleen gedurende een bepaalde, maar nog onbekende periode gebruikt moet worden.
- ‘X dagen voor ingreep stoppen en Y dagen na ingreep hervatten’ – als de medicatie onderbroken moet worden vanwege een ingreep.
Zie paragraaf 6.2 voor uitwerking van de werkwijze bij gebruik van dit criterium.
5.2.2.6.5 RegistratieDatumTijd
De RegistratieDatumTijd geeft de datum en tijd van het vastleggen van de medicatiebouwsteen en dient om de volgordelijkheid van de medicatiebouwstenen correct te kunnen bepalen. Verdere uitleg over de RegistratieDatumTijd is te vinden in ART-DECOR.
5.2.2.6.6 Toelichting
In geval van antistollingsmedicatie wordt in Toelichting de INR-range waarbinnen de behandeling plaats dient te vinden vastgelegd.
5.2.2.6.7 VolgendeBehandelaar
In dit data-element kan de zorgverlener worden vastgelegd waarmee contact kan worden opgenomen bij vragen over deze MA. Als de zorgverlener niet bekend is, mag als alternatief de betreffende zorgaanbieder worden ingevuld. Voorbeelden bij gebruik door een voorschrijver in een huisartsenpost (HAP):
- Nieuwe MA: De HAP-voorschrijver kan hier de naam van de vaste huisarts invullen.
- Wijzigen bestaande MA: De HAP-voorschrijver kan in de nieuwe MA hier de naam van de voorschrijver van de oorspronkelijke MA invullen.
- toppen bestaande MA: De HAP-voorschrijver kan in de stop-MA hier de naam van de oorspronkelijke voorschrijver invullen.
Hiermee is het ook buiten ANW-uren voor de hele keten duidelijk bij welke voorschrijver men moet zijn voor bijvoorbeeld vraagafhandeling.
5.2.3 Wisselend doseerschema
Bij sommige geneesmiddelen is het doseerschema variabel, bijvoorbeeld omdat het afhankelijk is van bepaalde bloedwaarden. Een voorbeeld is antistollingsmedicatie. Hierbij bepaalt de voorschrijver de therapeutische INR-range (International Normalized Ratio, maat voor de stollingstijd van het bloed) waarbinnen de behandeling plaats dient te vinden.
De doseerinstructie wordt dan niet in de MA maar in het WDS vastgelegd. Met een WDS kan de dosering van de medicatie aangepast worden zonder dat de MA gewijzigd hoeft te worden.
De trombosearts stelt de specifieke doseerinstructies op binnen de afgesproken INR-range en op basis van de gemeten INR-waarde. Deze INR-waarde wordt vastgelegd in de Toelichting van het WDS zodat duidelijk is op welke waarde een bepaald schema gebaseerd is.
De voorschrijvend arts die de MA heeft gemaakt blijft verantwoordelijk voor de VV’s.
5.2.3.1 Opstarten wisselend doseerschema
De voorschrijver schrijft antistollingsmedicatie voor en legt in de MA vast:
AfgesprokenGeneesmiddel: het voorgeschreven geneesmiddel. In het WDS wordt altijd hetzelfde geneesmiddel opgenomen als in de MA.AanvullendeInstructie‘gebruik volgens schema trombosedienst’; er wordt in de MA dus geen Doseerinstructie opgenomen.Toelichting: de INR-range waarbinnen de behandeling plaats dient te vinden.
De voorschrijver maakt een eerste WDS aan om de periode tot de trombosezorg betrokken is te overbruggen. Op basis van de INR-waarde en, indien nodig, zijn professionele inschatting stelt de trombosearts een WDS op dat het schema van de voorschrijver wijzigt of opvolgt. Vanaf dit moment neemt de trombosedienst het opstellen van de WDS’en over van de voorschrijver.
5.2.3.2 Continueren wisselend doseerschema
Een WDS zal altijd voor een bepaalde tijd worden opgesteld. Het wordt bijgesteld op basis van relevante meetwaarden. Als het WDS aan het einde van de Gebruiksperiode afloopt wordt het opgevolgd door een nieuw WDS (maar zie ook paragraaf 5.2.3.4). In het nieuwe WDS staat een relatie naar de MA en naar het vorige WDS. Er is geen stop-WDS nodig.
5.2.3.3 Stoppen wisselend doseerschema
Zolang er een therapeutische afspraak in een MA staat moet er ook een doseerinstructie zijn. Als dit ingevuld wordt door een WDS moet er dus altijd een WDS bestaan zolang de MA loopt. Het definitief stoppen van een WDS gebeurt door het stoppen van de MA. De trombosearts of andere voorschrijver maakt een stop-MA aan, of stuurt een VMA met voorstel om te stoppen naar de voorschrijver. Het stoppen van de MA leidt tot het stoppen van het bijbehorende WDS. Er is dan geen stop-WDS nodig. Als de behandeling na verloop van tijd weer gestart moet worden, volgt de gewone procedure van aanmaken MA en opstarten WDS.
5.2.3.4 Wijzigen wisselend doseerschema
Omdat bij antistollingsmedicatie altijd een WDS bij een MA beschikbaar moet zijn zal een WDS doorgaans doorlopen tot na de volgende meting van de relevante bloedwaarde.
Dat betekent dat een WDS meestal gewijzigd moet worden. Dit gebeurt volgens het gewone wijzigingsproces door het vastleggen van een nieuw WDS en een technisch stop-WDS (zie paragraaf 2.4.3).
Het nieuwe WDS heeft een RedenWijzigenOfStaken en een relatie naar de MA en het vorige WDS. Meestal zal een nieuwe INR-waarde uitgangspunt zijn voor het nieuwe schema, deze wordt geregistreerd in de Toelichting van het WDS.
Wijzigingen met betrekking tot de doseerinstructie worden in het WDS opgenomen. Wijzigingen in het overige behandelbeleid moeten in de MA worden vastgelegd.
5.2.3.4.1 Wijzigen wisselend doseerschema door andere voorschrijver
Een WDS kan door de auteur van het WDS zelf gewijzigd worden maar ook door een andere voorschrijver. Deze stuurt dan het technische stop-WDS naar de zorgverlener die het originele WDS heeft gemaakt.
5.2.3.5 Onderbreken dosering
Het kan nodig zijn om de dosering tijdelijk te onderbreken, bijvoorbeeld vanwege comedicatie of een geplande ingreep. Dit kan op twee manieren:
- Als bekend is wanneer de onderbreking moet starten wordt de dosering voor de betreffende periode in het WDS aangepast naar 0. Er wordt een nieuw WDS met de nuldosering en een technisch stop-WDS aangemaakt. De MA en de TA lopen in dit geval door. Hiermee is duidelijk dat alleen de dosering tijdelijk onderbroken is; de therapeutische behandeling is niet gestopt.
- Indien de exacte periode waarin de onderbreking plaats moet vinden niet bekend is, dient de onderbreking via een stop-MA te lopen. Zie paragraaf 5.2.2.4.2.
5.2.4 Verstrekkingsverzoek
Het VV is de logistieke bouwsteen in een voorschrift. In het VV beschrijft de voorschrijver hoeveel van een geneesmiddel moet worden verstrekt.
5.2.4.1 Maken verstrekkingsverzoek
Als een patiënt een (nieuwe) voorraad geneesmiddel nodig heeft wordt er een VV gemaakt. Bijvoorbeeld bij de start van een behandeling met een nieuw geneesmiddel. Een VV hoeft niet tegelijk met het vastleggen van een MA gemaakt te worden. Bij een MA met een langere gebruiksperiode worden in de loop van de tijd meerdere VV’s gemaakt terwijl de MA hetzelfde blijft. In de klinische setting is geen VV nodig: de ziekenhuisapotheker zorgt dat de medicijnen beschikbaar zijn zolang de MA loopt.
5.2.4.1.1 Maken verstrekkingsverzoek door andere voorschrijver
Het is mogelijk dat een andere voorschrijver dan degene die de MA heeft gemaakt, een VV onder deze MA doet. Het gaat dan om herhaalmedicatie. In dat geval wordt in het voorschrift naar de apotheek de MA van de originele voorschrijver meegestuurd met het VV.
5.2.4.2 Invulling bouwsteen Verstrekkingsverzoek in specifieke situaties
Deze paragraaf bevat uitleg over de invulling van enkele data-elementen in specifieke situaties. In de tabbladen Dataset en Scenario’s in ART-DECOR is alle formele broninformatie over de bouwstenen en hun data-elementen te vinden.
5.2.4.2.1 Hoeveelheid die verstrekt moet worden
In een VV kan de TeVerstrekkenHoeveelheid vastgelegd worden óf de Verbruiksperiode. Bij vastleggen van een Verbruiksperiode moet de hoeveelheid die verstrekt moet worden eenduidig afleidbaar zijn uit de Doseerinstructie van de MA.
Let op: de eindDatumTijd in een Verbruiksperiode heeft een andere betekenis dan de eindDatumTijd in de Gebruiksperiode van een MA. Deze kunnen ongelijk zijn.
Verbruiksperiode.eindDatumTijd: datum tot wanneer de verstrekker toestemming heeft om verstrekkingen te doen (en daarmee voldoende voorraad aan de patiënt mee te geven voor gebruik tot aan die datum).Gebruiksperiode.eindDatumTijd: datum waarop de patiënt moet stoppen met de medicatie (deze kan gelijk zijn aan deVerbruiksperiode.eindDatumTijdof verder in de toekomst liggen).
5.2.4.2.2 Medicatie niet in GDS
In het data-element AanvullendeWensen van het VV kan de voorschrijver aangeven dat een geneesmiddel niet in GDS verstrekt mag worden. In paragraaf 6.1 is een overzicht te vinden van alle relevante informatie over GDS-medicatie.
5.2.5 Informatieoverdracht tijdens deelproces Voorschrijven
5.2.5.1 Voorstelgegevens
Een voorschrijver kan een voorstel ontvangen van een andere zorgverlener (inclusief andere voorschrijvers) of van de patiënt met betrekking tot diens medicamenteuze behandeling. Binnen MP9 zijn hiervoor de volgende voorstelgegevens beschikbaar:
- VMA voor voorstellen met betrekking tot de MA, met reden voor dit voorstel.
- AVMA voor het beantwoorden van een VMA.
- VVV voor voorstellen met betrekking tot het VV, met reden voor dit voorstel.
- AVVV voor het beantwoorden van een VVV.
De voorschrijver beoordeelt het voorstel en neemt een besluit:
- Als de voorschrijver akkoord is met de VMA dan wordt de nieuwe MA, al dan niet met nieuw VV, naar de verstrekker gestuurd.
- Als de voorschrijver akkoord is met het nieuwe VV dan wordt het nieuwe VV, met bijbehorende MA, naar de verstrekker gestuurd.
Er wordt altijd een AVMA dan wel AVVV naar de voorsteller gestuurd.
5.2.5.2 Nierfunctiewaarde meesturen met medicatievoorschrift
Bij sommige geneesmiddelen is het functioneren van de nieren van belang. De nierfunctiewaarde bepaalt dan de keuze en/of de dosering van het geneesmiddel. Bij dergelijke geneesmiddelen wordt de nierfunctiewaarde altijd samen met het medicatievoorschrift meegestuurd. Ook als er sinds een vorige verstrekking nieuwe uitslagen bekend zijn moeten deze weer met het medicatievoorschrift voor de nieuwe verstrekking worden meegestuurd. Deze nierfunctiewaarde wordt vastgelegd in de bouwsteen Laboratoriumuitslag en verstuurd via de transactie Sturen laboratoriumresultaten. Zie hiervoor de Informatiestandaard Lab2Zorg. Het los sturen van de Laboratoriumuitslag nierfunctiewaarde zonder medicatievoorschrift valt buiten scope van de informatiestandaard MP9.
5.2.5.3 Lengte en gewicht meesturen in voorschrift
De voorschrijver kan bij het versturen van het medicatievoorschrift ook lengte en gewicht van de patiënt meesturen. Dit kan bijvoorbeeld gedaan worden bij het voorschrijven aan kinderen, of het voorschrijven van medicatie waarbij gewicht (bijvoorbeeld antistollingsmedicatie) of lichaamsoppervlakte (bijvoorbeeld sommige oncolytica) van belang zijn. Het gaat om de lengte en het gewicht dat de voorschrijver heeft aangehouden voor het bepalen van het voorschrift. Dit kan afwijken van de lengte of het gewicht dat algemeen is vastgelegd over de patiënt. Lichaamslengte en Lichaamsgewicht zijn losse bouwstenen en kunnen alleen worden meegestuurd in de transacties Sturen medicatievoorschrift en Sturen voorstel medicatieafspraak. Deze informatie is verder niet te raadplegen.
5.2.5.4 Informatieoverdracht en systeemrollen tijdens deelproces Voorschrijven
Binnen het deelproces Voorschrijven kunnen diverse vormen van informatieoverdracht plaatsvinden. De tabel hieronder laat zien welke systeemrollen hiervoor nodig zijn.
| type informatieoverdracht | systeemrol | systeemrolcode |
|---|---|---|
| De voorschrijver stuurt een nieuwe MA naar de verstrekker van keuze van de patiënt, al dan niet vergezeld van een VV. Hiermee geeft de voorschrijver opdracht aan de verstrekker om medicatie ter hand te stellen. | VoorschriftSturend | MP-VOS |
| De voorschrijver stuurt een stop-MA en eventuele nieuwe MA naar de verstrekker, al dan niet vergezeld van een VV. Hiermee geeft de voorschrijver opdracht aan de verstrekker om een wijziging in medicatiebeleid door te voeren. | ||
| De voorschrijver stuurt een nieuw VV met bestaande MA naar de verstrekker. Hiermee geeft de voorschrijver opdracht aan de verstrekker om opnieuw medicatie ter hand te stellen. | ||
| De voorschrijver stuurt lengte en/of gewicht mee met het voorschrift. | ||
| De voorschrijver stuurt een nierfunctiewaarde mee met het voorschrift. | VoorschriftSturend + LabResultaatSturend | MP-VOS + LAB-LRS |
| De voorschrijver ontvangt bericht als de verstrekker de opdracht heeft ingevuld. | VoorschriftAfhandelingOntvangend | MP-VOO |
| De voorschrijver kan van andere zorgverleners een VMA en/of VVV ontvangen en een AVMA en/of AVVV naar de voorsteller terugsturen. | VoorstelMedicatieafspraakOntvangend | MP-VMO |
| AntwoordVoorstelMedicatieafspraakSturend | MP-AVMS | |
| VoorstelVerstrekkingsverzoekOntvangend | MP-VVO | |
| AntwoordVoorstelVerstrekkingsverzoekSturend | MP-AVVS | |
| De voorschrijver kan ook zelf voorstelgegevens naar een andere voorschrijver sturen en antwoorden ontvangen. | VoorstelMedicatieafspraakSturend | MP-VMS |
| AntwoordVoorstelMedicatieafspraakOntvangend | MP-AVMO | |
| VoorstelVerstrekkingsverzoekSturend | MP-VVS | |
| AntwoordVoorstelVerstrekkingsverzoekOntvangend | MP-AVVO | |
| Het EVS levert bij raadpleging de vastgelegde medicatiegegevens op. VV wordt alleen aan de patiënt opgeleverd. | MedicatieGegevensBeschikbaarstellend | MP-MGB |
| De voorschrijver raadpleegt de beschikbare medicatiegegevens voor het uitvoeren van medicatieverificatie en/of het evalueren van de medicamenteuze behandeling van de patiënt. | MedicatieGegevensRaadplegend | MP-MGR |
| De voorschrijver stuurt medicatiegegevens naar/ontvangt medicatiegegevens van een andere zorgverlener, bijvoorbeeld op verzoek van de patiënt of bij ontslag. | MedicatieGegevensSturend | MP-MGR |
| MedicatieGegevensOntvangend | MP-MGO | |
| De voorschrijver stuurt medicatiegegevens (MA en WDS) naar de trombosedienst ingeval de voorschrijver een eerste WDS ter overbrugging heeft gemaakt. | MedicatieGegevensSturend | MP-MGR |
| In geval van gecorrigeerde gegevens schat de voorschrijver in wie hij actief op de hoogte moet stellen door het sturen van de juiste gegevens. | MedicatieGegevensSturend | MP-MGR |
| In geval van stoppen andermans MA stuurt de voorschrijver de stop-MA naar de voorschrijver van de gestopte MA. |
De voorschrijver maakt gebruik van een elektronisch voorschrijfsysteem (EVS). Zie paragraaf 3.2.3 voor een overzicht van de systeemrollen die het EVS moet kunnen vervullen.
5.3 Deelproces: Ter hand stellen
Dit hoofdstuk is nog in review. Onderstaande paragraaf komt overeen met 20260127 Paragraaf 5.1 Deelproces Medicatieverificatie.docx
Deze paragraaf beschrijft het proces van ter hand stellen door een verstrekker. Een verstrekker is een apotheker of apotheekhoudend huisarts die het proces van ter hand stellen uitvoert of onder wiens verantwoordelijkheid dat gebeurt. Ter ondersteuning van de implementatie van dit deelproces zijn diverse voorbeelden beschikbaar op de pagina Praktijkvoorbeelden Ter hand stellen.
5.3.1 Overzicht deelproces Ter hand stellen
5.3.1.1 Ter hand stellen algemeen
Starten deelproces ter hand stellen
Het deelproces Ter hand stellen start wanneer de verstrekker een nieuw medicatievoorschrift (MA met of zonder VV) ontvangt. Ook een verzoek van de patiënt voor herhaalde medicatieverstrekking of een signaal uit de herhaalmodule van het AIS kan reden zijn voor het starten van dit deelproces.
Soms is een verandering in de situatie van de patiënt aanleiding voor het starten van het deelproces Ter hand stellen, bijvoorbeeld omdat diens medicatie voortaan in een Geneesmiddel Distributie Systeem (GDS) verstrekt moet worden.
Er wordt gecontroleerd op verkrijgbaarheid van het voorgeschreven geneesmiddel en op preferentiebeleid, en er vindt medicatiebewaking plaats. Hierbij wordt gecontroleerd of de voorgeschreven medicatie passend is bij de kenmerken van de patiënt en bij diens overige medicatie.
Mogelijke acties bij ter hand stellen
Als alle gegevens voldoen handelt de verstrekker het medicatievoorschrift af. Dit kan het verstrekken van medicatie betekenen, maar dat hoeft niet. Voorbeelden daarvan zijn:
- De medicatie wordt gestopt met een stop-MA.
- De medicatie is gewijzigd en de patiënt heeft nog voldoende voorraad.
- De patiënt haalt de medicatie niet af.
Bij het afhandelen van het medicatievoorschrift kunnen de volgende medicatiebouwstenen vastgelegd worden:
- TA om vast te leggen hoe de bijbehorende MA concreet is ingevuld.
- MVE om vast te leggen wat er daadwerkelijk aan de patiënt is verstrekt.
Dit wordt per bouwsteen verder uitgewerkt in de paragrafen 5.3.2 en 5.3.3.
Soms zal een verstrekker contact willen opnemen met de voorschrijver. Bijvoorbeeld:
- Er is een nieuw VV nodig.
- Er zijn vragen over de ontvangen MA.
- Na een medicatiebewakingssignaal.
In dergelijke gevallen kan de verstrekker een VMA of VVV naar de voorschrijver sturen. In de VMA / VVV doet de verstrekker een concreet voorstel voor een medicatieafspraak / verstrekkingsverzoek, met vermelding van de reden voor dat voorstel. Zie paragraaf 5.2.5.1 voor de afhandeling van deze voorstelgegevens.
Gegevens uitwisselen
De verstrekker stuurt de TA en, indien ook een verstrekking heeft plaatsgevonden, de MVE naar de voorschrijver. Als de Auteur van de VV een andere zorgverlener is dan de Voorschrijver in de MA, wordt de TA met eventueel de MVE naar die Auteur gestuurd. De vastgelegde gegevens worden ook beschikbaar gesteld. De informatieoverdracht wordt in paragraaf 5.3.4 verder behandeld.
5.3.1.2 Enkele specifieke situaties
Medicatieproces in de klinische situatie
Het medicatieproces in de klinische situatie wordt apart behandeld in paragraaf 5.6.
Medicatie op toedienlijst
Bij sommige patiënten staat medicatie op een toedienlijst (toedienpatiënten). Deze medicatie kan door een toediener, of door de patiënt zelf toegediend worden. De gegevens die nodig zijn voor het genereren van een toedienlijst kunnen door de voorschrijver in MA of WDS worden vastgelegd en/of door de verstrekker in de TA (zie paragraaf 5.3.2.6 en 5.4.2).
5.3.2 Toedieningsafspraak
Met de TA wordt de MA op een concreet niveau ingevuld. Er is niet altijd een nieuwe TA nodig, bijvoorbeeld bij herhaalverstrekking onder een lopende MA.
De TA wordt ingevuld op basis van factoren zoals beschikbaarheid, preferentiebeleid, of wensen van de patiënt of voorschrijver. Dit kan bijvoorbeeld resulteren in een product met een andere sterkte met daarbij aangepaste doseerfrequentie. Een andere sterkte betekent een andere PRK. Aangezien de TA onder dezelfde MBH valt als de MA, kunnen binnen 1 MBH dus bouwstenen met verschillende PRK voorkomen.
Een TA kan net als de bijbehorende MA in de toekomst starten. Deze TTA heeft een startDatumTijd die later ligt dan de datum waarop de afspraak gemaakt is.
Op hoofdlijnen kan een verstrekker een nieuwe TA maken, of een bestaande TA continueren, stoppen, wijzigen of tijdelijk onderbreken. Dit wordt in paragraaf 5.3.2.1 t/m 5.3.2.5 uitgewerkt.
In paragraaf 5.3.2.6 wordt voor een aantal data-elementen toegelicht hoe deze in bepaalde situaties moeten worden ingevuld.
5.3.2.1 Eerste toedieningsafspraak
Bij een nieuwe MA wordt altijd een nieuwe TA gemaakt. Een eerste TA in een MBH zal doorgaans gemaakt worden naar aanleiding van een nieuwe MA. Een eerste TA kan echter ook zonder bijbehorende MA worden gemaakt. Als een patiënt in de apotheek bijvoorbeeld een zelfzorgmiddel koopt kan de verstrekker ervoor kiezen om een TA vast te leggen en daarmee een nieuwe MBH te starten. Dit maakt medicatiebewaking mogelijk en het zelfzorgmiddel kan dan ook op een toedienlijst opgenomen worden (zie paragraaf 5.4).
5.3.2.2 Continueren toedieningsafspraak
Als de bestaande MA en TA afdoende zijn om een nieuwe medicatieverstrekking te doen hoeft de TA niet te worden aangepast.
5.3.2.3 Stoppen toedieningsafspraak
Een TA met eindDatumTijd, bijvoorbeeld voor een kuur, stopt vanzelf op die datum en bevat dus ook geen stoptype.
Een stop-MA voor het definitief stoppen van medicatie leidt tot een stop-TA binnen dezelfde MBH met stoptype ‘stopgezet’. Dit voorkomt verdere verstrekking van de medicatie.
De stop-TA bevat de volgende nieuwe gegevens:
| data-element in dataset | uitleg |
|---|---|
| eindDatumTijd | De datum waarop de TA eindigt. Deze einddatum kan ook in de toekomst liggen. |
| Verstrekker | Naam van de verstrekker die de stop-TA maakt. |
| RegistratieDatumTijd | Datum en tijd waarop de stop-TA wordt vastgelegd. |
| ToedieningsafspraakStopType | ‘stopgezet’ |
| RelatieToedieningsafspraak | Relatie naar de TA die gestopt wordt. Een stop-TA moet deze relatie bevatten, tenzij er geen TA beschikbaar is in de MBH om naar te verwijzen. Als de MBH alleen MGB(‘s) bevat, moet de verstrekker deze kunnen stoppen met een stop-TA zonder RelatieToedieningsafspraak. |
| RelatieMedicatieafspraak | Relatie naar de stop-MA die aanleiding is voor deze stop-TA. |
| Toedieningsafspraak RedenWijzigenOf Staken | Reden voor stoppen van de TA. |
Uit de TA waarnaar verwezen wordt moet de overige beschikbare informatie worden overgenomen, in ieder geval de volgende elementen:
| data-element in dataset | uitleg |
|---|---|
| startDatumTijd | De oorspronkelijke startdatum |
| GeneesmiddelBijToedienings Afspraak | Het afgesproken geneesmiddel. In geval van magistralen of ingrediënten hoeven 90 miljoen-nummers niet overgenomen te worden. |
| Gebruiksinstructie | De oorspronkelijke gebruiksinstructie. Het onderdeel AanvullendeInstructie hoeft niet te worden overgenomen aangezien wijze van gebruik bij een stop-TA niet meer relevant is. |
De TA kan per direct gestopt worden met eindDatumTijd vandaag, of gestopt worden met een eindDatumTijd in de toekomst.
5.3.2.3.1 Stoppen toedieningsafspraak door andere verstrekker
Een TA kan door de verstrekker zelf gestopt worden maar ook door een andere verstrekker. Wanneer een verstrekker medicatie stopt maakt hij een stop-TA, ook bij het stoppen van een TA van een ander. De stop-TA wordt naar de zorgverlener die de originele TA heeft gemaakt gestuurd. Diens XIS maakt voor deze zorgverlener inzichtelijk dat er een nieuwe mutatie is binnen de MBH.
5.3.2.3.2 Annuleren toekomstige toedieningsafspraak
Het stoppen van een TA met startDatumTijd in de toekomst (TTA) heet annuleren. De TTA wordt geannuleerd door het vastleggen van een annuleer-TTA. Dit is een stop-TA met stoptype ‘geannuleerd’. De annuleer-TTA laat zien dat de patiënt de betreffende medicatie nooit volgens deze TTA heeft gebruikt. De annuleer-TTA werkt hetzelfde als de stop-TA zoals hierboven beschreven maar met twee verschillen:
- Het stoptype is ‘geannuleerd’ i.p.v. ‘stopgezet’;
- De
startDatumTijdeneindDatumTijdvan de annuleer-TTA zijn aan elkaar gelijk.
5.3.2.4 Wijzigen toedieningsafspraak
Het kan nodig zijn om de TA te wijzigen, bijvoorbeeld vanwege een wijziging in het assortiment of in het preferentiebeleid. Anders dan bij de MA leidt een wijziging in het geneesmiddel op PRK-niveau bij een TA niet tot een andere MBH.
Wijzigen TA bij ongewijzigde MA
Het wijzigen van een TA bij ongewijzigde MA gebeurt door het maken van een technische stop-TA met stoptype ‘stopgezet’ en een nieuwe TA met de wijziging binnen dezelfde MBH (zie paragraaf 2.4.3). Beide hebben een relatie naar de oorspronkelijke TA en de ongewijzigde MA. In de nieuwe TA kan de reden voor het wijzigen in ToedieningsafspraakRedenWijzigenOfStaken worden vastgelegd.
Een wijziging kan per direct ingaan of kan gepland worden met een startDatumTijd in de toekomst. Als de wijziging wordt doorgevoerd in een toekomstige TA dan wordt er een technische annuleer-TTA gemaakt (zie paragraaf 2.2.5.7) en een nieuwe TTA met de wijziging.
De technische stop-TA en nieuwe TA worden gelijktijdig aangemaakt en hebben dus dezelfde RegistratieDatumTijd (zie paragraaf 2.4.3.1). Ze worden gelijktijdig verstuurd en gelijktijdig beschikbaar gesteld. Bij raadplegen worden ze ook gelijktijdig opgeleverd. Hetzelfde geldt voor de technische annuleer-TTA en nieuwe TTA.
Wijzigen TA als gevolg van gewijzigde MA
Een TA kan ook gewijzigd moeten worden als gevolg van een wijziging in de bijbehorende MA. In dat geval wordt een technische stop-MA en een nieuwe MA gemaakt. Dit leidt tot een technische stop-TA met relatie naar de oorspronkelijke TA. Bij de nieuwe MA wordt een nieuwe TA gemaakt met relatie naar die nieuwe MA, zonder relatie naar de oorspronkelijke TA.
Het wijzigen van een TTA als gevolg van een wijziging in een toekomstige MA werkt hetzelfde.
5.4 Deelproces: Toedienen
5.5 Deelproces: Gebruiken
5.6 Klinisch proces
- Toelichting op medicatieproces in de kliniek
- Verschillen met ambulant proces
- Toelichting op situatie bij ggz, vvt, etc.
28-04-2025 Voorlopig onzichtbaar gemaakt omdat dit nog niet geschikt is om te laten lezen -->
6 Aanvullende informatie
Nog nader uit te werken
- Link naar landingspagina met overige relevante documentatie
- Onderdelen uit huidige hoofdstukken 8 en 9
- Eventuele overige informatie die nog niet elders is verwerkt
Link naar pagina met bijlagen